Lol hebben in jongensgedrag

Vraag aan een willekeurige docent hun meest lastige leerling in hun hoofd te nemen. Onze ervaring leert dat dan minstens 95 procent aan een jongen denkt. Henno Oldenbeuving vangt de essentie van een opgroeiende jongen samen, ten einde meer lol te krijgen in het begeleiden.

Jongens en het onderwijs. Het lijkt tegenwoordig een steeds lastigere combinatie. Waar het aan ligt? Zijn de jongens moeilijker geworden? Kunnen we moeilijker met ze omgaan? In dit artikel geven we géén analyse van het hoe en waarom van jongensgedrag. Dat jongens blijkbaar vaker als lastig worden ervaren is een feit. In dit artikel gaan we op zoek naar hoe we terug kunnen keren naar lol hebben in jongensgedrag. Hoe kun jij als docent weer genieten van de ettertjes uit je klas? Hoe zorg je ervoor dat je glimlacht om hun onbeholpen gedrag en onhandigheden. Hoe word jij de beste jongensdocent?

Les 1: Een jongen wordt nooit een meisje
Meisjes hebben een paar eigenschappen die in ons schoolsysteem behoorlijk handig zijn. Ze kunnen relatief goed stil zitten. Ze kunnen al op redelijk jonge leeftijd reflecteren op hun eigen gedrag en ze zijn verbaal handig. Dat komt ons als docenten best goed uit. Jongens daarentegen zijn op deze drie vlakken net iets onhandiger. Daar kunnen ze niets aan doen. Dat heeft de natuur zo geregeld. En dat is voor hun zelf net zo lastig als voor de docent die met ze moet werken.  Je zou bijvoorbeeld maar langer dan een half uur moeten stilzitten terwijl er net een testosteronboost door je lijf jaagt.  Ga d’r maar aan staan.

Accepteren dat de jongens in de klas zich dus anders gedragen dan de meisjes is een start van een betere jongensdocent zijn. Laten we van de jongens geen meisjes proberen te maken. Dat scheelt een heleboel strijd en evenzoveel energie.

Les 2: Grenzen opzoeken is gezond. Grenzen geven een noodzaak
Je zou maar een klas hebben vol volgzame leerlingen. Nooit een grote mond, geen onverwacht gedrag. Muziek in je oren, of dodelijk saai? In ieder geval niet realistisch. Pubers, en vooral jongens, hebben het nodig om grenzen te zoeken.  Dat is één van hun manieren van leren en verder te komen. Je neerleggen bij grenzen zou stilstand betekenen.

Krijg je een brutale opmerking naar je hoofd, bedenk dan dat dit een poging is tot groter groeien. Het zegt niets over jou als docent, maar het zegt iets over de jongen die zoekende is. Een zoektocht naar grenzen, waarmee jij hem kunt helpen. De grote mond vraagt dus om een correctie, een grens. Die je daarna, wellicht met een glimlach in gedachte, ferm en duidelijk kunt geven.

Les 3: Ze zijn levendig en niet alleen maar druk
Jongens zijn levendig. Bewegelijk. Energiek. Ze hebben, meer dan meisjes, beweging nodig om zich te ontwikkelen. Ze moeten iets met dat lijf van ze. Wist je dat het biologisch gezien onmogelijk is voor een jongen van 13 om twee uur stil te zitten?

Als je de levendigheid negatief labelt in ‘druk zijn’ en je dit gedrag continu alleen maar probeert in te dammen, kan de positieve energie die ze hebben voor jongens omslaan in het tegenovergestelde: een uitgebluste houding. In afhaken, afwezigheid. In de les is het dus voor jou als docent een behoorlijke klus om te balanceren tussen een te levendige of chaotische groep en een stel ongeconcentreerde lamlendelingen.

Wellicht kan het je helpen om je te realiseren dat de vitaliteit van de jongen nodig is en helpt het om hier met respect naar te kijken. Maar doe dit niet zonder respect voor je eigen grenzen. Grenzen aangeven blijft hier belangrijk. Misschien vaker en langer dan je lief is. Maar wederzijds respect moet je een heel eind brengen. En hier en daar wat chaos in de les, kan wellicht ook tot hele mooie resultaten leiden.

Les 4: Reflecteren gaat niet vanzelf
Kijken en doen gaat jongens makkelijk af. Jongens leren door te ondernemen en door te ontdekken; met vallen en met opstaan. Maar leren gaat nog sneller als je ook reflecteert. Wat ging er in goed en waarom ging dat goed? Wat dacht ik toen ik die fout maakte en wat had ik anders moeten doen? Voor meisjes is ‘iets voelen’ en er over willen praten veel vanzelfsprekender dan voor jongens. Bij jongens komt de reflectie vaak pas later, of niet. Met het gevaar dat ze hardleers lijken.

Help je de jongens niet met reflecteren, dan is de kans groot dat ze weinig leren van fouten, of van zaken die goed gingen. Voor jou als docent ligt hier wat jongens betreft dus een schone taak. Help ze nadenken over wat mis gaat en over wat goed gaat. Bouw momenten in waarop ze met elkaar oefeningen of handelingen bespreken, bijvoorbeeld met behulp van feedbackformulieren. Zoek voor jou en voor ‘je jongens’ een geschikte methode. Confronteer op momenten dat het nodig is en durf terug te komen op zaken die je niet bevielen.

Ons schoolsysteem speelt zich nog steeds voor een belangrijk deel af rond het thema ‘hoeveel fouten heb je gemaakt’? Op school, maar ook in onze samenleving, gaat veel aandacht, tijd en energie zitten in ‘wat fout gaat’. Maar je helpt de jongen juist door niet alleen op fouten te concentreren. Bouw ook positieve stimuli in, spreek de jongen aan op zijn kwaliteiten; geef complimentjes, goedkeuring, privileges of tastbare beloningen. Als je er alert bent op bent dat je ‘negatieve’ feedback afwisselt met benadrukken en bespreken van goed gedrag dan zou je zomaar snel effect kunnen zien.

Les 5: Een jongen moet gezien worden
Vallen en opstaan is dus een leermethode die bij de jongen past. Een methode waar zelfvertrouwen voor nodig is en misschien zelfs een gezonde hoeveelheid overmoed.

Wat een jongen hier in ieder geval voor nodig heeft is bevestiging. Op vroege, maar ook op latere leeftijd. Jongens hebben vaak meer bevestiging nodig dan je denkt en bovendien meer dan ze zelf zouden willen. En dat is direct een lastige paradox. Aan de ene kant hebben jongens sterke behoefte aan een ijkpunt: een persoon die vanuit een volwassen perspectief liefdevol eerlijk en oprecht aangeeft wat goed is, wat beter moet, wat ronduit slecht is, wat uitmuntend is.

En aan de andere kant wil als jongen gezien worden in wie je bent. In de kwaliteiten die in jou als persoon besloten liggen en waarvan je wilt horen dat die toch ruimschoots opwegen tegen je beperkingen of onhebbelijkheden.

Juist omdat het voor jongens zo moeilijk is om met deze verwarring om te gaan, is het belangrijk dat er mensen zijn die oprecht in ze geloven. Voor een jongen moeten er mensen zijn die hem zien zitten, die hem zien staan. Die blij zijn dat juist hij in hun klas zit en bij wie hij kan voelen dat hij helemaal goed is zoals hij is. Ook als hij niet zo goed stil kan zitten, soms brutaal is en grenzen zoekt.

Vraag eens aan je collega’s om hun favoriete jongensleerling in hun hoofd te nemen en zijn kwaliteiten. Vraag ze daarna of de jongen weet dat zij zo positief over hem denken.

Les zes: stap voor stap
Een Chinees gezegde leert ons: “zelfs een mars van duizend mijl begint met een eerste stap.” Wil je meer lol hebben in jongensgedrag begin dan met een stap per dag, of een stap per week. Sta morgen eens een minuut of tien stil bij een jongen. En kijk dan gewoon vanuit stilte met een open blik naar dit unieke menselijke exemplaar. Zonder er iets mee te moeten, zonder er iets aan te willen veranderen. Wie is deze leerling? Wat leeft er? Wat speelt er? Wat doet deze leerling jou? Waar raakt hij je? Adem dan nog eens een paar keer rustig door voordat je samen verder gaat.

Henno Oldenbeuving is werkzaam voor YoungWorks. Hij schreef eerder het boekje ‘Knap lastig – lesgeven aan pubers’
Dit artikel werd eerder gepubliceerd in 
tijdschrift ‘Van 12 tot 18′?

 


Gerelateerde items: