inspiratie, legitimatie en verbinding
Deze website wordt inmiddels elke maand meer dan 150.000 keer bezocht! De verhalen komen van leraren, schoolleiders, bestuurders, ouders/opvoeders en onderwijsbetrokkenen zelf.
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

profiel

Jozef Kok


Jozef Kok
Bekijk mijn profiel

Stemming van hetkind
twitter

Echt niet alles is oké in de klas van juf Kiet. --> opinie van @teadoek in Parool #tegengeluid parool.nl/opinie/-echt-n…

Ongeveer 4 minuten geleden op hetkind's Twitter via Twitter for iPhone

facebook
Internationaal onderzoek: ‘In Pearson-rapport wordt laagje verder gekeken’

4 januari 2013

Jozef Kok

De internationale rankings beheersen het publieke onderwijsdebat. Maar wat kan een minister,  het parlement en met name het onderwijsveld zelf met dit soort rapporten?  Dat is de vraag die beantwoord wordt in een overstijgend rapport van Pearson:The Learning Curve, lessons in country performance in education’dat onlangs is verschenen. Jozef Kok las het en vat samen. ‘De Heilige Graal bestaat niet.  Het is veel meer een zaak van de wijze waarop in een speciale context de input (tijd, geld, kwaliteit van de leraren) wordt aangewend om een bepaald doel te bereiken. En daar komt leiderschap om de hoek kijken.’

Sinds het begin van deze eeuw wordt iedereen in de Haagse Hoftoren weer zenuwachtig als het jaarlijkse moment is aangebroken waarop de rapporten van de OECD worden gepubliceerd over de kwaliteit van het onderwijs in de landen van de rijke westerse wereld.  Education at a glance, TIMMS, PIRLS, PISA. Het is telkens opnieuw aanleiding voor de media en het parlement om met een ‘ zie je wel’ te klagen over de teloorgang van het Nederlandse onderwijs. “We tuimelen uit de top tien” en “ Het gaat niet goed met het taal- en rekenonderwijs in ons land.”

De rankings beheersen het publieke debat, maar wat kan een minister,  het parlement en met name het onderwijsveld zelf met dit soort rapporten?  Dat is de vraag die beantwoord wordt in een overstijgend rapport van Pearson: ‘The Learning Curve, lessons in country performance in education’ [1]  Pearson is een toonaangevende educatieve dienstverlener en uitgeverij. Al meer dan een halve eeuw financiert het de Economist Intelligence Unit, een groep van economen gespecialiseerd in economische trendanalyses en voorspellingen. Dit rapport is samengesteld onder leiding van Sir Michael Barber, minister van onderwijs onder Tony Blair en bekend van zijn boek ‘The Learning Game; arguments for an education revolution’. Toen hij van hoogleraar minister werd, startte hij in Engeland het ‘Literacy en numeracy-program’,  bij ons later gekopieerd in vergelijkbare landelijk uitgerolde projecten.

Michael Barber stelt zich met zijn onderzoeksgroep de vraag wat het nut is van al die genoemde internationale vergelijkende studies. Dat is een vraag die eerder ook al in een paar studies van McKinsey (waar Barber ook aan heeft meegewerkt) aan de orde is gesteld[2].  De laatste daarvan heeft stevig doorgewerkt in het jongste regeerakkoord in ons land.

Barber en zijn groep gaat nu echter nog een stapje verder. Zij kunnen dat doen, omdat Pearson beschikt over een enorme database met gegevens over de sociaal-economische prestaties van landen en die kunnen ze relateren aan de onderwijsprestaties van diezelfde landen. Dat leverde al eerder een interessant rapport op over de opkomst van de landen aan de Pacific[3]. Ook een ‘must-read’ voor elke onderwijsinnovator.

Welke lessen kunnen we trekken uit al deze onderzoeken?

Barber is de eerste die er op wijst dat er voor complexe problemen geen simpele oplossingen bestaan en dat er geen one-size-fits-all oplossingen zijn. De Heilige Graal of de ‘silver bullit’  bestaat niet. De meeste verbanden die gevonden worden zijn correlationeel en niet causaal. Er is geen simpel input-output-outcome mechanisme. Het is veel meer een zaak van de wijze waarop in een speciale context de input (tijd, geld, kwaliteit van de leraren) wordt aangewend om een bepaald doel te bereiken. En daar komt leiderschap om de hoek kijken.

Vaak ook weten we eerder wat niet werkt, dan wat wel werkt. Zo is wel duidelijk geworden dat het (zonder meer) verkleinen van de groepsgrootte duur is, maar niet vanzelf leidt tot hogere leeropbrengsten bij leerlingen. Als je in een groep van 20 leerlingen blijft lesgeven zoals je dat deed in een groep van 30 leerlingen, neemt misschien wel de werkdruk wat af, hoewel ook dat altijd relatief is, maar gaan leerlingen niet meer of beter leren.

Toch is er wel een vijftal algemene lessen te trekken uit de vergelijkende studies van de afgelopen tien jaren. Barber c.s. vatten ze als volgt samen:

1                   Er zijn geen simpele oplossingen

Meer geld in het onderwijs stoppen middels kortlopende projecten op specifieke thema’s heeft weinig effect. Onderwijs vraagt om een meerjarig, samenhangend en gerichte systeembrede aandacht, als je tot blijvende verbeteringen wilt komen.

2                   Waardeer leraren

Goede leraren zijn van essentieel belang voor kwalitatief goed onderwijs. Deze vinden en houden is niet alleen een kwestie van meer salaris. Integendeel: leraren vragen vooral om als volwaardige professionals behandeld te worden en niet als technocratische uitvoerders in grote onderwijsmachines waarop onze scholen lijken.

3                   De culturele inbedding van onderwijs kan worden veranderd

De culturele aannames en waarden rondom het onderwijs zijn van grotere invloed op het ondersteunen of ondermijnen van het onderwijssysteem dan die van het systeem zelf. Het benutten van de positieve elementen in die omringende cultuur en het veranderen van de negatieve, is van groot belang voor het behalen van succesvolle resultaten in het onderwijs.

4                   Ouders zijn noch vijanden, noch redders van onderwijs

Ouders willen het beste onderwijs voor hun kinderen. Druk van ouders om zaken te veranderen moet niet gezien worden als vijandigheid, maar als een teken dat er misschien iets niet goed is in de voorzieningen. Maar het is ook niet zo dat de keuzen en de inbreng van ouders tot een panacee leiden. Onderwijs moet ouders goed informeren en met hen samen werken.

5                   Onderwijs voor morgen , niet voor vandaag

Veel van de hedendaagse beroepen en vaardigheden om ze uit te oefenen, bestonden 20 jaar geleden eenvoudigweg nog niet. Onderwijs moet nagaan welke bekwaamheden leerlingen in de toekomst vooral nodig hebben en die nu onderwijzen. Dan gaat het om de veelgenoemde 21th Century skills.

Deze conclusies zijn vrij abstract. Een nadere analyse is nodig om de onderliggende werkzame mechanismen te achterhalen. Ook is het interessant om na te gaan of goed onderwijs ook doorwerkt in het algemeen welbevinden en de moderne economie.

Wat laat een land hoog scoren?

In het rapport wordt voor het eerst een wereldranglijst opgesteld (een ‘ Global Index of  Cognitive Skills and Educational Attainments’) op basis van alle voorgaande vergelijkende OECD-rapporten. Daarin is ook een koppeling gemaakt tussen de kwaliteit van het onderwijs(systeem) en het economische succes van een land. Met alle slagen om de arm en relativeringen van dit soort lijstjes, is het aardig om te constateren dat Nederland daarin op plaats 7 staat. In Europa hoeven we alleen Finland (plaats 1) en het Verenigd Koninkrijk (plaats 6) voor te laten gaan. Zuid Korea staat op de tweede plaats, met direct achter zich drie andere Oost-Aziatische landen.

Waarom doen Finland en Zuid-Korea het zo goed? Want als we dat weten, zouden we daarop kunnen sturen. Nadere analyse levert op dat ze eigenlijk heel weinig gemeen hebben. Integendeel: ze zijn op een aantal punten elkaars tegenpolen. Zuid-Korea is ‘test-driven’ , heeft een rigide curriculum en legt veel nadruk op van buiten leren. De meeste leerlingen gaan na schooltijd nog naar private scholen of huiswerkinstituten (hagwons) waar remediëring en toets-training plaatsvindt. In Finland gaan kinderen pas vanaf zeven jaar naar school, maken ze minder uren en geeft men geen huiswerk. Leraren geven er minder frontaal les en zijn meer gericht op toepassing van kennis dan op van buiten leren ervan.

Ook op ander punten zijn er grote verschillen. De lerarensalarissen in Zuid-Korea zijn het dubbele van de gemiddelde salarissen in dat land. In Finland liggen ze ongeveer op dat gemiddelde. De leerkracht-leerling ratio ligt in Zuid-Korea veel hoger dan in Finland. Waar de systemen op elkaar lijken, zijn dat elementen die ze weer niet doet onderscheiden van landen die zich in het midden van de ranglijst bevinden.

Als je wat dieper graaft komen er toch een paar punten naar voren waarin ze overeenkomen en die andere, lager geklasseerde landen, missen. En dat is vooral het belang dat beide landen hechten aan het onderwijzen en aan de werving en opleiding van leraren. Een hoge status van het beroep van leraar en die hoge instructiekwaliteit hebben ze gemeen. Ook zijn er de hoge verwachtingen naar leerlingen en een sterk gevoel voor het afleggen van verantwoording over de resultaten. In de vormgeving van dat laatste zijn er echter weer grote verschillen: in Zuid-Korea is het toets- en examengestuurd (verticale controle). In Finland wordt meer gewerkt met peer-accountability (horizontale controle).

Cultureel  (waarden en verwachtingen) hebben beide landen onderwijs hoog in het vaandel. Onderwijs wordt gesteund door een betekenisvol onderliggend moreel doel (‘moral purpose’). Beide landen komen uit een geschiedenis van koloniale onderdrukking (door respectievelijk Rusland en Japan). Toegang tot onderwijs was toen niet vanzelfsprekend. Na de bevrijding daarvan was onderwijs niet allen een middel voor individuele vooruitgang, maar ook een collectief publiek goed in dienst van vrijheid en welvaart

Conclusies

Er zijn meerdere wegen naar succes. Het is niet mogelijk om determinanten voor succes van het ene land naar het andere over te plaatsen. Onderwijs is vooral een lokale aangelegenheid en ligt ingebed in de daar dominante sociaal-culturele waarden en verwachtingen.  Natuurlijk, hoge verwachtingen, een doordacht doorlopend curriculum en goede leraren zijn overal belangrijk. Vrije schoolkeuze voor ouders en relatieve autonomie voor scholen en leraren, eveneens. Variëteit van aanbod en transparantie over resultaten horen daarbij.

Zeker, we kunnen van dit soort internationale vergelijkingen leren. Maar beleidsmakers moeten ook bescheiden zijn in het lineair toepassen (‘uitrollen’) van deze bevindingen. Jaarrapporten van de OECD, van de Inspectie of van andere onderwijsonderzoekers moeten over een langere periode worden beoordeeld.  Sir Michael Barber heeft dit met zijn Economist Intelligence Unit in dit rapport ‘The learning curve’, op een voortreffelijke wijze gedaan.

Onderwijs blijft echter mensenwerk, blijft iets dat gemaakt wordt in relaties tussen leraar en leerling(en).  Als we er in slagen om een cultuur te creëren, waarin die mensen, leraren, blijven leren, ook van dit soort rapporten, dan komt het met het leren van leerlingen vanzelf goed.

Jozef Kok

 

Jozef Kok  studeerde schei- en natuurkunde en onderwijskunde aan de Radboud universiteit van Nijmegen en organisatiekunde en verandermanagement aan het SIOO. Hij was een groot aantal jaren adviseur en later directeur van KPC Groep, een landelijk onderwijsadviesbureau. In 2002 werd hij lector aan de pabo’s van de Fontys Hogescholen met de leeropdracht ‘Nieuwe vormen van leren en nieuwe leerarrangementen’. Thans is hij voorzitter van de Adviesraad van het PO Platform Kwaliteit en Innovatie.

[1] Zie: www.thelearningcurve.pearson.com/the-report

[2] – How the world’s best perfoming school systems come out on top (2007)

– How the world’s most improved school systems keep getting better (2010)

– Het Nederlandse onderwijs: beter dan we denken, maar niet zo goed als we willen (2012)

[3] Barber, Donnely and Rizvi: Oceans of innovation. The Atlantic, the Pacific, global leadership and the future of education IPPR, (2012)