inspiratie, legitimatie en verbinding
Deze website wordt inmiddels elke maand meer dan 150.000 keer bezocht! De verhalen komen van leraren, schoolleiders, bestuurders, ouders/opvoeders en onderwijsbetrokkenen zelf.
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

profiel

Geert Bors


Geert Bors
Bekijk mijn profiel

Stemming van hetkind
twitter

Onderwijsavonden Driebergen -> leraren sterken bij uitvoering van hun pedagogische opdracht. Zoals @ellenvos Binnen… twitter.com/i/web/status/8…

Ongeveer 7 uur geleden op hetkind's Twitter via Twitter for iPhone

facebook
Bij de schoolpoort: ‘Dat kleuters door je heen kijken is dus geen beeldspraak’

8 december 2013

Geert Bors

Principe 5, Moreel kompas, doet een appèl op het bouwen van een cultuur van veiligheid en respect in school. Geert Bors moest daaraan denken, toen hij vorige week zag hoe de kleuterklas van zijn zoon een wilde dag beleefde, bij een invaljuf. Zoonlief kwam naar buiten met een ‘gevonden voorwerp’ op zak. Vanuit het perspectief van een ouder aan de schoolpoort is dit een verhaal over vertrouwen, groepsdynamiek en het ijken van je morele kompas.

Kleuter01Maandag, 12:15. Naar huis fietsen met mijn zoon S. voor de middagboterham is een avontuur. We spelen dat we met onze raketfiets reizen via de achterkant van de maan. Vlak voor we thuis zijn, breidt hij de fantasie uit. “Nee, we doen dat dít de maan was. En het zag er precies zo uit als onze eigen straat. En de maanmensen die in ons huis woonden, waren weg. En wij gingen nou in dat huis kijken…” Hij klimt van de fiets. “Maar eerst moet ik naar de wc.”

S. heeft vandaag een invaljuf. Aan tafel kondigt hij aan dat hij vanmiddag niet naar school wil. Ik vertel hem dat dat niet zo makkelijk kan als eerder, omdat hij nu vijf is. Even later gooit hij de helft van zijn pietenpak uit. “Geen zin meer in”, verklaart hij. Dan raust hij door de hut van zijn zusje. Tegen haar zin. Tenslotte neemt hij de leesbril van oma mee naar school, voor in de schatkist.

14:59. De schoolpoort. “Het kan nog even duren”, zegt de pa van Freek. “De juf probeert de kinderen al een kwartier de buitenspullen op te laten bergen in het schuurtje.” Hij slaat het tafereel al geruime tijd gade: “Telkens als er iets de berging werd gezet, haalden andere kinderen er weer dingen uit. Van alles vloog er door de lucht. Ik had de neiging te gaan helpen, maar ik wist niet of dat de juf daarop zat te wachten.”

De klas – twintig jongens, zes meiden – krioelt over het plein. Een aantal van de jochies ken ik wat beter. Het zijn nieuwsgierige, praatgrage mannen, zoals ze ’s middags met diksap en een koekje bij ons aan tafel zitten. Ze kunnen goed met elkaar spelen. Ze kunnen ook heel boos worden op elkaar. Ze kunnen zelf boven de lego gaan halen. Of niet meer terugkomen, omdat ze een hut aan het bouwen zijn. Ze kunnen ook opeens besluiten om de trap naar zolder te nemen en daar in bureaulades gaan neuzen. Of het wollen dekbed van ons bed trekken, omdat ‘dat handig is voor de hut’.

Het kunnen aardig intensieve uren zijn, die speeluren na school. Ik weet inmiddels dat er eisen en verwachtingen zijn met betrekking tot mijn aanwezigheid. Ik moet ‘er zijn’ – om iets te tillen, om verhalen aan te vertellen, om mee naar de speeltuin te lopen, om grenzen te trekken. De ene keer moet ik vooral even opgaan in de achtergrond; andere momenten mag ik niet wéér op mijn telefoon staan te loeren. Doodnormale kleuters, denk ik. Maar blijkbaar is vandaag collectief de hooligan in hen ontwaakt.

15:08. Nog steeds aan de schoolpoort. Alles is opgeruimd en de invaljuf laat de kleuters nog even bij elkaar komen. Daarna stormt de groep naar de uitgang. Ik vraag mijn zoon of hij aan de leesbril van oma heeft gedacht. “Ja”, zegt hij, “En ik heb nog wat anders.” Hij frommelt in zijn broekzak en haalt een instrumentje tevoorschijn. Klein, plastic, met een barst in het dekglaasje. “Een klok. Een sóórt klok”, legt hij uit.

Kleuter02“Oh, wauw. Mag ik ook eens kijken?”, vraag ik. “Hoe kom je er aan?”
“Gevonden. In de huizenhoek”, zegt hij.
“Maar is die niet van school dan?”
“Neuh.”
“Hoe weet je dat?”
“Nee-hee, hij is van Thijs. En hij is kapot gegaan en daarom vond Thijs hem niet meer leuk. Ik heb hem gevonden.”
“Thijs wilde hem niet meer hebben?”
“Nee”, zegt mijn zoon. “Dat denk ik niet.”
“Je weet het niet zeker?”
“Ja, nou, jawel. Hij is stuk. Hij wilde hem niet meer. Kom nou, we gaan.”
“Wat zei de juf?”
“Niks. Die weet het niet.”
“En als vandaag niet de invaljuf, maar een van je normale juffen er geweest was, had je hem dan ook meegenomen?”
S. grijnst. “Dan had ik hem, denk ik, aan juf gegeven.”

15:15. Naar huis. In de dynamiek die vandaag in de klas heerste, heeft mijn zoon iets meegenomen dat niet van hem is. Misschien. Het wordt me niet helemaal helder. Maar hij heeft wel een andere beslissing genomen dan hij gedaan zou hebben als één van zijn reguliere leerkrachten er geweest was.

Ik kan niet anders dan glimlachen – uit een combinatie van verbazing en omdat ik snap wat mijn zoon zegt. Zoals vaker na een lange schooldag, heeft mijn kleuter nu niet zo’n zin om te kletsen. Op één vraag krijg ik nog een opmerkelijk antwoord: hoe heette deze juf ook weer? “Nou, dat weet ik niet”, zegt S. “Maar ze was wel een beetje saai. Ze heeft alleen maar dingen verteld die we al wisten.”

“Kinderen van vier of vijf kunnen dwars door je heen kijken”, “Kleuters hebben je feilloos door” – het zijn opmerkingen die ik vaak gehoord heb van mensen met een ruime onderwijservaring als Wilma van Esch of Marcel van Herpen. Mijn aanname was altijd dat ze dan spraken met een zekere overdrijving. Ik zie nu: geen beeldspraak, geen hyperbool. Kleuters weten dus echt wie ze voor zich hebben en wat ze met je kunnen. Binnen een halve dag. Arme invaljuf.

Dinsdag, 8:30. In de klas. Mijn vriendin brengt onze zoon naar school. In vol pieten-ornaat. Zijn rots in de branding, juf Marit, is er weer en zij moet het kostuum ook zien. “Het was gisteren een wat wilde dag, geloof ik”, begint mijn vriendin. “Dat heb ik ook begrepen”, lacht de leerkracht. “Onze jongen heeft gisteren iets meegenomen dat misschien van Thijs is. Wat is handig? Als ik er samen even met S. en Thijs over praat?” “Hoeft niet,” zegt Marit: “Dat kan je zoon prima zelf.”

S. begint zijn schooldag. Hij graait in zijn broekzak naar het kleinood – een kapot kompasje met een tollende naald.

 

Geert Bors is redacteur bij hetkind. Eerder dit jaar werkte hij als eindredacteur van Egoscoop mee aan een themanummer over ouders en ouderbetrokkenheid bij school. Hij is vader van een vijfjarige zoon en een dochter van twee. De gebruikte namen zijn pseudoniemen. De foto op de homepage is van Nina CrebasUpdate: klasgenoot Thijs had zijn kompas niet gemist. S. mocht hem houden.