inspiratie, legitimatie en verbinding
Deze website wordt inmiddels elke maand meer dan 150.000 keer bezocht! De verhalen komen van leraren, schoolleiders, bestuurders, ouders/opvoeders en onderwijsbetrokkenen zelf.
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

profiel

Dick van der Wateren


Dick van der Wateren
Bekijk mijn profiel

Stemming van hetkind
twitter

‘Huilende moeders aan tafel. Het blijft lastig, zeker omdat ik de tranen vaak maar al te goed begrijp’ hetkind.org/?p=54821

Ongeveer 11 uur geleden op hetkind's Twitter via hetkind website

facebook
Gert Biesta: ‘Iedereen vindt het vanzelfsprekend dat de kwantumtheorie moeilijk is, maar over lesgeven wordt vaak simpel gedacht’

19 mei 2014

Dick van der Wateren

Hetkind-themalogo-onderwijsavond‘Probeer in het onderwijs eens een tijd het woord leren te vermijden.’ Gert Biesta is niet bang om zijn gehoor af en toe te provoceren. Maar voor hem is dat waar het op school over gaat. Goed onderwijs gaat niet over ‘leren’, maar over ‘onderwijzen’. Dat is een tegelijk simpele en moedige uitspraak in een tijd waarin leerlingen ‘learners’ genoemd worden, het curriculum een ‘leerlijn’, scholen veranderen in ‘places for learners’ en docenten in ‘begeleiders van het leerproces’. Zijn ideeën zijn ook een krachtige afrekening met de heersende cultuur van meten en afrekenen, die elk risico wil uitsluiten en wordt gedreven door angst en wantrouwen, niet door geloof en vertrouwen. Onderwijzen is volgens Biesta moeilijk en onderwijs riskant. ‘Wat betekent dat voor mij als leraar?’, vraagt Dick van der Wateren zich af naar aanleiding van Biesta’s Onderwijsavond, afgelopen donderdag in Driebergen. 

foto 1 (2)

Donderdag 15 mei, op de voorlaatste Onderwijsavond van hetkind, gaf Gert Biesta, onderwijspedagoog en hoogleraar aan de Universiteit van Luxemburg, voor een stampvolle en muisstille zaal een lezing over zijn werk. Onlangs verscheen van hem het boek ‘The Beautiful Risk of Education’ dat besproken werd door o.a. Hartger Wassink en Simon Verwer. In september verschijnt de Nederlandse vertaling door René Kneyber. In zijn lezing gaf Biesta een overzicht van de ideeën die hij in eerdere boeken en artikelen ontwikkelde en die hij verder uitwerkte in zijn laatste boek.

Goed onderwijs

Voor goed onderwijs moeten we ons allereerst de vraag stellen, waartoe het dient. Dan pas komt de vraag over inhoud en methode. Dat gaat recht in tegen de huidige praktijk waarbij testen en examens steeds meer het doel worden van het onderwijs en de inhoud ervan grotendeels bepalen. Goed onderwijs is in de visie van Gert Biesta dan ook niet effectief onderwijs, of doelmatig onderwijs, want daarbij gaat het om de processen. Het is ook niet: excellent onderwijs, omdat het daar om competitie gaat.

Het is ook niet leerstofgericht of kindgericht. Wanneer onderwijs leerstofgericht is, lopen we het risico voorbij te gaan aan de realiteit van het kind. De reactie daarop, de kind-gerichte visie negeert het feit dat het in het onderwijs en onderwijzen altijd ergens om gaat. De uitweg is dan ook een visie op onderwijs en onderwijzen waarin de existentie van het kind – een bestaan in en met de wereld – centraal staat. Goed onderwijs is dus wereldgericht. Waarbij we wereld hier zo ruim mogelijk opvatten, als alles wat, ten opzichte van het kind of de student ‘anders’ is.

De zin en de richting van het onderwijs worden bepaald door drie domeinen:

  • kwalificatie, ofwel het je eigen maken van kennis en vaardigheden (specifiek of breed);
  • socialisatie, ofwel je voorbereiden op een leven als lid van een gemeenschap en kennismaken met tradities en praktijken (bijv. sociaal-politiek, cultureel, professioneel);
  • subjectivering, ofwel vorming van de persoon (bijv. autonomie, verantwoordelijkheid).

Voor mij als docent is het de uitdaging om voortdurend een balans te vinden tussen deze drie domeinen. Soms kan ik besluiten dat een van de drie domeinen tijdelijk belangrijker is, bijvoorbeeld wanneer ik mijn leerlingen moet helpen omgaan met vrijheid en verantwoordelijkheid. Op een ander moment, bijvoorbeeld in de examenperiode, kan kwalificatie tijdelijk de overhand krijgen. Maar op de lange termijn moeten deze drie domeinen in evenwicht zijn.

Onderwijzen tegenover leren

Maar dan blijkt de taal van het leren ons onvoldoende houvast te geven. Die moeten we volgens Biesta dan ook vervangen door een taal van het onderwijzen, het les-geven. Waarom is dat belangrijk? Omdat, wanneer we onze professionele taal verliezen, we het risico lopen dat we geen weerwoord hebben en geen gesprekspartner kunnen zijn in de discussie over goed onderwijs.

In zijn artikel uit 2012, ‘Giving teaching back to education’, legt hij uit hoe de leraar en het onderwijzen uit het onderwijs zijn verdwenen. Dat zien we aan woorden als: ‘het nieuwe leren’, ‘krachtige leeromgeving’, ‘samenwerkend leren’ en ‘leergemeenschappen’. Als het alleen om leren gaat, zouden we geen scholen nodig hebben. Zeker nu kunnen kinderen immers overal en op elk moment leren.

Het gaat er echter in het onderwijs niet om dat kinderen leren, maar dat ze iets leren, dat ze met een bepaald oogmerk leren en dat ze van iemand leren. Daarvoor introduceert Biesta drie onderwijspedagogische grondbegrippen: in de wereld komen, uniciteit en dialoog.

Bij het begrip in-de-wereld-komen, dat hij leent van Hannah Arendt, stelt hij de vraag: ‘Hoe kan het nieuwe in de wereld komen?’ Het antwoord is: ‘Als andere mensen mijn initiatieven opnemen.’ De frustratie is dat iedereen de mogelijkheid heeft om op zijn of haar eigen manier op mijn initiatieven te reageren, maar die frustratie moeten we accepteren als we willen dat de initiatieven van iedereen in de wereld kunnen komen. Daarvoor hebben we een plurale of ‘wereldse’ wereld nodig. De docent heeft daarom een dubbele onderwijspedagogische verantwoordelijkheid: voor het nieuwe en voor de wereldse kwaliteit van de wereld.

Voor het begrip uniciteit geldt dat ieder kind telt. Dat gaat verder dan de vraag, wat maakt mij uniek? Het is geen kwestie van identiteit maar van relatie, verwijzend naar die situaties waarin er een appèl op mij wordt gedaan en ik, in die verantwoordelijkheid, mij niet door iemand anders kan laten vervangen – uniciteit als (existentiele) onvervangbaarheid. Die uniciteit kan niet worden geproduceerd, je kunt iemand niet uniek maken. Cruciaal voor het onderwijs is dat het het kind openhoudt naar de wereld – naar de ander en het andere – zodat de mogelijkheid van aangesproken worden niet uit het curriculum of de school verdwijnt. Dat is geen kwestie van ‘empowerment’ – van het kind sterker maken – maar van ‘disarmament’ – een openhouden zodat het andere gehoord kan worden.

Dialoog

Er is nog een kant aan onderwijzen, of lesgeven. Les geven is letterlijk het geven van een geschenk. De leerling kan het geschenk aanvaarden of afwijzen. De leerling kan het niet opeisen of afdwingen en de docent kan het ook niet opdringen. Docent en leerling zijn er samen voor verantwoordelijk dat er onderwijs plaats vindt. In die zin is onderwezen worden een existentiële uitdaging. Het gaat hier namelijk om vaak lastige boodschappen, die letterlijk een last zijn en je belasten. Als het goed is maken die een diepere waarheid zichtbaar. Onderwijzen en onderwezen worden zijn beide moeilijk en het zal inmiddels duidelijk zijn dat dit veel verder gaat dan alleen maar ‘leren’.

Waarom is de ervaring van ‘onderwezen worden’ belangrijk? Omdat het leerlingen op een heel andere manier in de wereld zet dan in het geval van leren. Ze worden op een volwassen manier aangesproken. Niet: Hoe kan ik dit begrijpen? Maar: Wat vraagt dit van mij?

Onderwezen worden roept weerstand op en dat kan een irritante en soms frustrerende ervaring zijn, omdat het onderbreekt wat zich aan het ontwikkelen was. Zo komt de student in dialoog met de ander en het andere – een dialoog op weg naar volwassenheid. Docenten kunnen proberen hun leerlingen weerstand als iets positiefs te laten ervaren en gaan er samen met hen mee aan de slag. Dat kan bij uitstek in de kunst en door het werken met weerbarstig materiaal, zoals hout, steen en klei. Ook kunnen we onze leerlingen laten oefenen met sociale weerstand. Zo stimuleert het onderwijsproces de vorming van de wil van de leerling. En zo wordt de school een oefenplaats voor een volwassen omgang met de ander en het andere. Letterlijk een vrijplaats waar gewerkt wordt aan de dialoog van kind en wereld.

De leraar

3d chessWat betekent dit concreet voor mij als leraar? Hier alvast wat eerste gedachten die bij mij opkomen als ik hierover nadenk.

Gert Biesta waarschuwt dat goed onderwijs een moeilijk proces is. En waarom ook niet? Iedereen vindt het vanzelfsprekend dat de kwantumtheorie moeilijk is, maar over lesgeven wordt vaak simpel gedacht. Ja, als je het opvat als het aanleren van kennis en vaardigheden voor een toets of examen. Dat is toch vooral kunstjes aanleren, die niet wezenlijk bijdragen aan de ontwikkeling van het kind tot een volwassen en autonoom lid van een democratische samenleving. Maar nee, als je het ziet als het 3D-schaakspel, dat goed onderwijs werkelijk is, waarbij ieder bord het bord erboven of eronder beïnvloedt. En dat dan simultaan met meerdere spelers.

Over het waartoe van goed onderwijs is Biesta, als ik hem goed begrijp, bewust wat vaag. Het moet wereldgericht zijn en een existentieel curriculum omvatten, een curriculum dat vooral kijkt welke mogelijkheden verschillende vakken en vakgebieden bieden voor leerlingen om (aspecten van) de wereld te ontmoeten. Zoveel geeft mij wel mee. Hoe dat moet worden ingevuld is mijn verantwoordelijkheid en die van mijn collega’s.

Een existentieel curriculum lijkt voor vakken als aardrijkskunde, geschiedenis, biologie of economie op het eerste gezicht makkelijker te realiseren dan voor mijn vak natuurkunde. Een dialoog van kind en wereld lijkt bij die eerste wat meer voor de hand te liggen. Denk aan vraagstukken als democratie, oorlog en vrede, armoede, wereldvoedselprobleem, klimaatverandering, biodiversiteit.

Maar het gevaar is, lijkt mij, dat het curriculum dan wordt beperkt tot alleen het domein van kwalificatie. Socialisatie en subjectivering vragen om activiteiten waarbij de leerling zijn of haar positie bepaalt ten opzichte van deze wereldvraagstukken, als individu en als lid van een gemeenschap. Ook aan het domein van kwalificatie wordt de eis gesteld dat kennis en vaardigheden niet leiden tot het ‘goede’ antwoord dat in het boek staat. Er moet ruimte zijn om de diepere oorzaken te onderzoeken. Dit gaat dus veel verder dan hetgeen in de schoolboeken staat en op het eindexamen wordt gevraagd.

Ook voor natuurkunde kunnen we een existentieel curriculum bedenken. Dat zou voor het onderwerp zwaartekracht bijvoorbeeld verder kunnen gaan dan de simpele formules die in het boek staan en die Isaac Newton 300 jaar geleden heeft bedacht. Die zijn nog steeds juist voor de alledaagse werkelijkheid die wij ervaren, maar geven geen antwoord op de vraag naar de diepere oorzaak van de zwaartekracht. Die vraag stellen leerlingen soms en dan is het aan mij om hen niet af te schepen met een onbenullig antwoord, of de opmerking dat dat nog te moeilijk voor hen is.

Als ik het antwoord op zulke vragen zelf niet weet (wat soms het geval zal zijn, als ik eerlijk ben), is dat een uitgelezen kans om samen op zoek te gaan naar die diepere oorzaken. Ik onderbreek wat zich bij mijn leerlingen ontwikkelt doordat ik hen bij het leren niet aan hun lot overlaat, maar voortdurend met hen in dialoog ga. Dus niet (alleen) de opdracht geven om het zelf uit te zoeken, maar voortdurend vragen stellen als: ‘Is dit de juiste vraag?’ ‘Is dit het antwoord dat je zocht?’ ‘Welke nieuwe vragen roept dit antwoord op?’ Zo veranderen mijn lessen in spannende bijeenkomsten waarin mijn leerlingen zich ontwikkelen tot autonome individuen – of volwassen subjecten, in de terminologie van Biesta – die zich bewust zijn van hun verhouding met en hun verantwoordelijkheid voor de wereld.

Onderwijs is daarmee een ‘zwak’ proces, risicovol en zonder garanties. Maar een prachtig risico, georiënteerd op het mogelijk maken van een menselijk bestaan in en met de wereld.

Misschien moet ik mijzelf niet langer ‘leraar’ noemen. Het engelse woord ‘educator’ dekt de lading al beter.

Vanaf nu ben ik ‘onderwijzer’.

 


 

Verder lezen

Biesta. G.J.J. (2014). The beautiful risk of education. Boulder, Co: Paradigm Publishers.

Biesta, G.J.J. (2012). Goed onderwijs en de cultuur van het meten. Den Haag: Boom/Lemma.

Biesta, G.J.J. (2012). Giving teaching back to education. Phenomenology & Practice, vol. 6, no. 2: 33-49.

N.B. Bij het schrijven van dit verslag heb ik gebruik gemaakt van de powerpoints van Gert Biesta voor de onderwijsavond en de masterclass de dag erna, mijn eigen aantekeningen en die van Hartger Wassink. Gert Biesta heeft dit verslag vooraf gelezen en van enkele aanvullingen en correcties voorzien.

Dick van der Wateren is docent op het Eerste Christelijk Lyceum in Haarlem. Daarnaast heeft hij jarenlange ervaring als wetenschapper (geologisch onderzoek o.a. in Antarctica en Afrika) en wetenschapsvoorlichter. Van der Wateren is betrokken bij The Crowd en was een van de initiatiefnemers van het eerste EdCampN en is onderdeel van het blogcollectief OnderzoekOnderwijs.