inspiratie, legitimatie en verbinding
Deze website wordt inmiddels elke maand meer dan 150.000 keer bezocht! De verhalen komen van leraren, schoolleiders, bestuurders, ouders/opvoeders en onderwijsbetrokkenen zelf.
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

profiel

Dick van der Wateren


Dick van der Wateren
Bekijk mijn profiel

Stemming van hetkind
twitter
facebook
‘Leiderschap zonder valse zekerheden, maar met een maximale verbondenheid met het kind, om wie het allemaal gaat’

10 oktober 2014

Dick van der Wateren

Tijdens de conferentie ‘Leider zijn in het onderwijs’ op 24 september leidde Marcel van Herpen een ervaringskring over waarachtigheid. Dick van der Wateren – zelf docent op het Eerste Christelijk Lyceum in Haarlem – was geïntrigeerd door dit thema en was benieuwd hoe de auteur van het inspirerende – en af en toe ontroerende boek ‘Ik de Leraar’, het aan zou pakken. Zijn blog: ‘Onderwijs zonder valse zekerheden, maar met een maximale verbondenheid met het kind, om wie het allemaal gaat.’

_MG_4235Gert Biesta en Dolf van den Berg gaven in hun inleidingen ‘s ochtends aan wat zij onder goed onderwijs verstaan en wat de rol van de schoolleider daarin is. Bij goed schoolleiderschap hoort in de eerste plaats antwoord geven op de vraag wat goed onderwijs inhoudt. In Biesta’s opvatting is daarbij sprake van een goede balans tussen de drie dimensies kwalificatie, socialisatie en subjectivering. Aan de leidinggevende de taak die balans te bewaken, vooral ook in een cultuur waarin het onderwijs wordt afgerekend op die eerste dimensie, de kwalificatie (kennis en vaardigheden) en dat zelfs maar voor een beperkt deel. Vorming als lid van een democratische maatschappij en culturele gemeenschap (socialisatie) en vorming tot een autonome en verantwoordelijke volwassene (subjectivering) is in die afrekencultuur maar een beperkte rol toebedacht.

Dolf van den Berg vulde het betoog van Biesta mooi aan met een pleidooi om na te denken over de eigen rol van de leraar en de schoolleider, zoals hij ook deed in zijn laatste twee boeken, ‘Leidinggevende, wie ben je?’ en ‘Jezelf zijn’.

De middag was gewijd aan een zevental ervaringskringen rond de thema’s Moed, Authenticiteit, Waarachtigheid, Vertrouwen, Verbondenheid, Integriteit en Verantwoordelijkheid. In de ervaringskring waarachtigheid gaat het Marcel van Herpen – trajectontwikkelaar en begeleider bij het NIVOZ – om de waarden verbondenheid en verantwoordelijkheid.

Wanneer je leerkrachten en schoolleiders vraagt wat belangrijk is in het onderwijs, noemt bijna iedereen begrippen die te maken hebben met welbevinden (denk aan veiligheid, geluk) en betrokkenheid (denk aan motivatie, interesse, meedoen met de les). Uit onderzoek blijkt dat die twee niet automatisch samengaan. Als een kind zich goed voelt op school is het niet automatisch betrokken bij de les. En het omgekeerde is ook waar: kinderen die goed meedoen op school zijn niet altijd gelukkig. Waar het om gaat is verbondenheid van leraren en schoolleiders met hun leerlingen, een van de twee uitgangspunten van waarachtig leiderschap.

Marcel maakt het begrip waarachtigheid heel concreet aan de hand van uitval en buitensluiten van leerlingen. Die zijn precies het tegendeel van verbondenheid. Het vreemde is dat we die, terwijl we dat eigenlijk niet willen, juist in ons onderwijs hebben gelegitimeerd. Maar, als we dat niet willen, waarom doen we dan niet wat we wél willen? Volgens Marcel ligt de oorzaak daarvoor in belangrijke mate bij externe attributies, zoals door de overheid opgelegde eisen, de inspectie of de lesmethode. Die zouden de schoolleider of de leraar in die ongewenste rol dwingen. Maar wanneer we extern attribueren zijn we er niet voor de leerling, is er geen verbondenheid, nemen we geen verantwoordelijkheid voor onze leerlingen.

Dan komt het er op aan om externe attributies buiten te sluiten en pedagogisch leiderschap en pedagogische tact te ontwikkelen. Onder pedagogische tact verstaan we: op het goede moment de juiste dingen doen, óók in de ogen van de kinderen. Marcel gebruikt de metafoor van de beeldhouwer die een beeld creëert naar een ideaalbeeld. Zoals beeldhouwer, beeld en ideaalbeeld een onlosmakelijk geheel vormen, zo kunnen ook leraar, kind en opvoedingsideaal niet zonder elkaar. In deze opvatting staat niet het kind centraal, maar de samenhang en wisselwerking tussen deze drie elementen. En, zoals het beeld de beeldhouwer vertelt waar nog iets kan worden weggehakt en waar dat niet kan zonder het beeld te verwoesten, zo vertelt het kind ons wat het op dat moment nodig heeft. Mits we bereid zijn te luisteren. Een pedagoog is dan ook iemand die zich inspant om zich in het kind te verplaatsen door goed te kijken en te luisteren.

Daarbij is het wel belangrijk dat wát kinderen tegen mij ook zeggen, het mij niet mag raken. Wanneer een kind agressief tegen me is, moet ik achter die agressie het kleine, angstige kind kunnen zien. Als ik me laat raken, boos word en het kind buitensluit, ben ik niet langer vrij om mijn taak als opvoeder te vervullen. Het is beter als ik het vraag: Wat kan ik voor je doen? Het boze kind voelt zich daarmee erkend en op dat moment kunnen we samen naar een oplossing zoeken. De schoolleider moet hetzelfde doen, zien wanneer ingrijpen nodig is en wanneer het kind en ik er samen wel uitkomen.

Stop buitensluiten

De strategie is:

  1. Verbondenheid stellen tegenover uitval en buitensluiten. Stel jezelf als schoolleider daarom de vraag: waar zie ik dat in mijn school?
  2. Neem vervolgens als schoolleider je verantwoordelijkheid. Dus: Schaf uitval en buitensluiten (onvoldoendes, uitsturen, pesten) NU af.

Marcels advies aan schoolleiders: “Vraag aan de leerkracht: Wat heb jij van mij nodig om kinderen niet langer buiten te sluiten? Spoor je leerkrachten aan ervoor te zorgen dat de kinderen in hun klas gelukkig zijn zonder hen eruit te sturen. Zeg: ik ben er als je me nodig hebt en zorg ervoor dat je daadwerkelijk beschikbaar bent als er moet worden ingegrepen. Als schoolleider moet je daarom in staat zijn zelf de klas in te gaan en voordoen hoe je een probleemsituatie aanpakt.”

Ik, als leerkracht, moet leren omgaan met problemen in de klas, met huilende meisjes, of agressieve jongens. Uitsturen leert mij niets. Daarmee maak ik mij alleen maar afhankelijk van het vangnet van de schoolleider of de concierge en neem niet zelf de verantwoordelijkheid voor een lastige opvoedsituatie. Dan blijkt dat hoe beter dat vangnet is, bijvoorbeeld de Rebound, hoe meer er wordt uitgestuurd. De essentie is moed te hebben om via leerkrachten en ouders het kind een andere kant uit te krijgen, het kind te leren zichzelf te sturen. Wanneer ik mijn macht gebruik bereik ik precies het tegenovergestelde.

Wees beschikbaar

Op de vraag van Marcel: “Wat gebeurt er met jou als je dit tegen je team zegt?” komen verschillende reacties. Op één school werd in redelijk korte tijd vooruitgang geboekt. Het lijkt misschien alsof je als schoolleider voortdurend bij allerlei lastige situaties wordt geroepen wanneer je deze stap zet. Het tegendeel is waar. Als leerkrachten zeker weten dat je er voor ze bent wanneer het echt nodig is, wordt er zelden een beroep op je gedaan. Wanneer ze daar niet zeker van zijn, ben je de hele dag nodig. Wanneer een team kan rekenen op hun schoolleider werkt dat emanciperend voor iedereen.

Op een andere school had het team er grote problemen mee. Blijkbaar kunnen docenten hun houvast kwijtraken als uitsturen hen als machtsmiddel ontnomen wordt. In zo’n geval zou je hen kunnen vragen of ze hun eigen kind het huis uit zouden sturen wanneer het vervelend is.

NU buitensluiten afschaffen kan voor een school problematisch zijn. Soms zijn er meer jaren nodig voor een kanteling. Je zou je team kunnen aanmoedigen zich voor te stellen om het te doen. Bij mensen gebeurt dan nogal wat. De hele biografie doet mee, dingen die ze in hun jeugd hebben meegemaakt, in het gezin, op school.

Vraag van een deelnemer: “Wat te doen met onhandelbaar kind? Een kind dat helemaal onbereikbaar is?”
Marcel: “Stel de vraag of de leerkracht het erop aan laat komen en dan het kind uit de klas verwijdert of er juist alles aan doet om het kind zichzelf te laten sturen naar beter gedrag. Het probleem moet in de klas worden opgelost. Pas als de leerkracht er niet uit komt kan de directeur in de klas komen. Dat schept een situatie waarin de leerkracht gedwongen wordt na te denken over oplossingen. En dat houdt in dat op tijd wordt ingegrepen voordat het kind niet meer te bereiken is. Voorwaarde bij dit alles is steeds dat de directeur volledig beschikbaar is.

Andere vraag: “Is het geven van onvoldoendes ook een vorm van buitensluiten?
Marcels antwoord: “Het gaat erom wat het is in de ogen van het kind.”

Mijn interpretatie: het hangt ervan af wat het kind nodig heeft. Soms is een kind gebaat met een onvoldoende, omdat het aangeeft dat het een deel van de lesstof nog niet beheerst. Dan werkt het formatief en kan het kind nogmaals oefenen tot het de stof voldoende beheerst. Maar als een kind keer op keer een onvoldoende krijgt, werkt dat heel demotiverend en voelt het zich inderdaad buitengesloten. Je kunt je dan afvragen of je met die onvoldoendes bereikt wat je wilt bereiken. Vermoedelijk heeft het kind iets heel anders van je nodig. En alweer gaat het om gebondenheid.

Waarachtig leiderschap doet recht aan de opvattingen over goed onderwijs zoals die in de ochtend door Gert Biesta en Dolf van den Berg werden verwoord. Het past bij ‘Het prachtige risico van onderwijs’, de titel van Biesta’s laatste boek. Zonder valse zekerheden, maar met een maximale verbondenheid met het kind, om wie het allemaal gaat.

Dick van der Wateren is docent op het Eerste Christelijk Lyceum in Haarlem. Daarnaast heeft hij jarenlange ervaring als wetenschapper (geologisch onderzoek o.a. in Antarctica en Afrika) en wetenschapsvoorlichter. Van der Wateren is betrokken bij The Crowd en was een van de initiatiefnemers van het eerste EdCampNL en is onderdeel van het blogcollectief OnderzoekOnderwijs.