inspiratie, legitimatie en verbinding
Deze website wordt inmiddels elke maand meer dan 150.000 keer bezocht! De verhalen komen van leraren, schoolleiders, bestuurders, ouders/opvoeders en onderwijsbetrokkenen zelf.
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

profiel

Luc Stevens


Luc Stevens
Bekijk mijn profiel

Stemming van hetkind
twitter

High Tech High in San Diego haalt opmerkelijke resultaten met gewone kinderen. Ga mee op studiereis om te zien hoe! hetkind.org/agenda/studier…

Ongeveer 46 minuten geleden op hetkind's Twitter via Echofon

facebook
‘Pedagogische tact is geen competentie, maar zit in jouw oriëntatie’

20 december 2014

Luc Stevens

Het beste kan pedagogische tact  worden uitgelegd aan de hand van voorbeelden, stelt prof. Luc Stevens. ‘Dat komt, omdat het een begrip is dat verwijst naar het handelen van leraren, niet zozeer naar hun kennis of ervaring of naar iets wat je in je opleiding leren kan. Pedagogische tact is daarmee geen competentie. Het verwijst niet naar het gedrag van een leraar, als wel naar de drager van dat gedrag: de leraar zelf en diens persoon.’

Luc Stevens begint een verhaal over een juf. Ze werkt al lang niet meer met kleuters, maar haar verhaal blijft. Het gaat over pedagogische tact.

Terwijl zij op een ochtend de poppenkast gereed maakt en de kinderen zich daaromheen scharen, hoort ze ineens uit de mond van Ferrie, een van haar vierjarigen: “Vuil, vies rotwijf.”
Iedereen schrikt en wacht af.
De juf loopt naar Ferrie en vraagt: “Ferrie, wat is er?”
“M’n zussie zit niet goed.”
“Nou”, zegt de juf, “dan geven wij je zussie toch een andere plaats.”

De juf en Ferrie kennen elkaar nog maar net. De volgende anderhalf jaar is er geen onvertogen woord meer gevallen. Ferrie en zijn juf konden het goed vinden.

Wat is hier gebeurd?
De juf heeft Ferrie’s gescheld geaccepteerd zoals het was – gescheld – en zich onmiddellijk gewend tot de betekenis ervan: “Ferrie, wat is er?”. De juf gaat hiermee voorbij aan de uitdaging of de schoffering en zoekt naar wat het kind wil zeggen. Ferrie gaat ver buiten de fatsoensnorm, maar de juf voelt zich niet aangesproken: zij oordeelt niet, laat het zoals het is, omdat op dat moment voor haar de boosheid van het kind belangrijker is. Zij oriënteert zich op het kind en op zijn beleving van dat moment en probeert daarvoor een uitweg of een oplossing te vinden.

Wat gebeurt er met Ferrie? Hij ervaart dat zijn juf hem accepteert met zijn sores en wel onvoorwaardelijk. De juf begint niet over zijn gedrag dat niet kan, maar zoekt hém, Ferrie, en wat hem op dat moment zo hevig bezighoudt. Hij wordt door de juf gezien zoals hij is, hij wordt door haar erkend, serieus genomen. De juf neemt niet zijn gescheld serieus, maar Ferrie. En haar voorstel om zijn zussie een andere plaats te geven bekrachtigt dat. Ferrie weet dat zijn juf hem ziet en wil snappen.

Interessant is dat de juf aan alle gemoraliseer voorbij gaat. Ook de veel gehoorde suggestie dat je kinderen op deze manier leert hun zin te krijgen. Daar is Ferrie te intelligent voor, daar zijn kinderen in het algemeen te intelligent voor. Ferrie wist sowieso dat zijn gedrag onacceptabel was. Daar hoeft hij niet nog eens op gewezen te worden. Maar hier leert hij in een paar seconden dat dat niet nodig is en dat je daarmee ook niet de sfeer hoeft te bederven.
Dit kan ook worden opgemaakt uit de goede verstandhouding tussen hem de juf voor de rest van de tijd. Het is niet waarschijnlijk dat Ferrie niet nog eens de neiging heeft gehad om boos te worden of in verzet te gaan, maar hij corrigeert zichzelf kennelijk op tijd of maakt in elk geval niet meer zoveel ophef.
Ferrie weet heel goed hoe het hoort, maar hij is nog afhankelijk van de veiligheid en daarmee de emotionele zekerheid die de volwassene hem biedt, wil hij in de goede (gedrags)vorm blijven. Voor deze interpretatie is een goede reden. Achteraf is aan de juf natuurlijk gevraagd of zij Ferrie er later toch niet nog even op heeft gewezen dat dat gescheld niet kan. De juf was even stil van deze vraag, waarneembaar even verbaasd over zichzelf, dat zij dat niet had gedaan. Dat hoort eigenlijk toch wel, dat je je kinderen er nog even op wijst. Nee, dat had ze niet gedaan en meteen zei ze: “Maar ik heb hem daarna nooit meer gehoord.” Met andere woorden: ik heb het kennelijk toch wel goed gedaan zonder die terechtwijzing.
Met weer andere woorden: was die terechtwijzing dan wel zo nodig? Waarschijnlijk niet.

Daar hebben we weer, denk ik wel eens, dat eeuwige misverstand bij volwassenen, -vooral bij leraren – dat kinderen niet leren zonder jou, dat zij hun eigen conclusies niet kunnen trekken, dat je het altijd nog even moet zeggen. Een bezwering van de eigen verlegenheid? De juf zat er niet mee. Wat de juf doet met Ferrie’s boosheid noemen we pedagogische tact. Een heel oud begrip dat door de Canadees Nederlandse pedagoog en fenomenoloog Max van Manen tot leven is gewekt in zijn schitterende boek The Tact of Teaching.

We voeren met hem een korte nadere verkenning van het begrip uit.

Het beste kan pedagogische tact worden uitgelegd aan de hand van voorbeelden. Dat komt omdat het een begrip is dat verwijst naar het handelen van leraren, niet zozeer naar hun kennis of ervaring of naar iets wat je in je opleiding leren kan. PT is geen competentie. Het verwijst niet zozeer naar het gedrag van een leraar als wel naar de drager van dat gedrag: de leraar zelf en diens persoon.

  • Tact is het beste voorbeeld van hoe persoon en professie onverbrekelijk samengaan, niet onderscheiden kunnen worden. Wel theoretisch misschien (voor even), maar niet in de handelingspraktijk.
  • Als we over tact spreken is de hele persoon van de leraar erbij betrokken, zijn kennis, zijn ervaring, zijn biografie of zijn persoonlijke geschiedenis, zijn gevoel en zijn intuïtie, waarin hij gelooft, zijn overtuigingen.
  • Pedagogische tact verwijst naar wie iemand is en niet zozeer naar wat iemand heeft (competenties). Dat wil zeggen dat PT ontwikkeld wordt, mét de ontwikkeling van de persoon. Niet dat je het kan leren, zoals een didactische vaardigheid.
  • PT is een complex geheel van kwaliteiten en bekwaamheden van de persoon. Het is in principe leeftijd- en ervaringsonafhankelijk.

Van Manen parafraserend zou je PT kunnen omschrijven als: een onmiddellijk, gevoelsmatig weten het goede te doen in de omgang met je leerlingen. In onze casus hebben we soms ongemerkt al een paar kenmerken van PT benoemd, zoals… … de onvoorwaardelijke acceptatie van je leerlingen en de kunst om van hen uit te denken en te werken, … de kunst om hun gevoelens, bedoelingen en behoeften meteen te ‘pakken’ en daar een goed antwoord op te vinden. Goed betekent hier: je antwoord past in deze situatie, lost hier bijvoorbeeld een probleem op, maar het is niet zomaar een antwoord. Het is een antwoord dat jij als opvoeder ook een goed antwoord vindt, omdat het past in wat jij met je leerlingen wil bereiken; dat past in de waarden die jij als opvoeder belangrijk vind, zoals veiligheid en emotionele zekerheid of zelfvertrouwen van een leerling;  maar ook ambities bijvoorbeeld en goede prestaties.

PT is typisch iets dat zich in de spontane omgang met leerlingen voordoet. Het kan zich op vele manieren voordoen, of het nu het spontane antwoord van de juf naar Ferrie is, of een gefronste wenkbrauw van de meester als hij ‘ziet’ dat een leerling bijna van de stoel dacht te vallen of net even niet kijken of reageren. De lichaamstaal van de leraar kan pedagogisch boekdelen spreken, niemand hoeft het te merken, maar leraar en leerling verstaan elkaar. Het is de vertrouwde omgang van leraren en leerlingen, maar dan niet in de betekenis van voorspelbaar, maar in de zin van vertrouwen. Vertrouwen bij de leraar in de goede moed en de goede motieven van zijn leerlingen (mijn leerlingen komen hier om te laten zien wat zij kunnen), wat verwijst naar zelfvertrouwen.

De juf van Ferrie laat dat zien: ze gaat ervan uit dat Ferrie en zij geen verschillende bedoelingen hebben, ze heeft de overtuiging dat ze er allebei iets van willen maken, ze vertrouwt hem op dat punt. Dat getuigt van zelfvertrouwen: ze biedt zich aan Ferrie aan als steunbron, al iemand waar hij van op aan kan als het moeilijk is. Ferrie pakt dat precies zo op als de juf heeft bedoeld, komt tot rust en blijft dat. Hier kan en moet misschien ook verwezen worden naar het pedagogisch gezien desastreuze effect van de veronderstelling die bij leraren post kan vatten dat leerlingen ongemotiveerd zijn, voor de fun naar school komen of een ‘probleem’ hebben. En dat heb je als het label er is. Labelen doet het pedagogisch perspectief nogal eens verdwijnen.

Vertrouwen in leerlingen en zelfvertrouwen zijn de benen waarop een leraar staat, als we Riksen Walraven mogen parafraseren, waar zij spreekt over de essentie van verbondenheid of relatie. Want daar gaat het om en daar gaat het over als we spreken over succesvol onderwijzen: geen prestatie zonder relatie. Ferrie hoefde zich bij zijn juf geen zorgen te maken. Hij heeft dus alle energie en tijd vrij om zich te ontwikkelen, om te leren. We spraken over de voorwaarden voor PT, zoals acceptatie (niet oordelen), ontwikkelde intuïtie, vertrouwen en zelfvertrouwen. Deze hangen natuurlijk intens samen. Het is de leraar die de leerlingen en hun achtergronden accepteert zoals ze zijn (het is zoals het is), die weet wat hij wil en wat hij kan (die zichzelf kent), die in gedachten en gevoel de plaats van de leerling in kan nemen, die zich kan verplaatsen in de ander en die er voor die ander wil zijn. Dat laatste is essentieel: de leraar oriënteert zich primair op de leerling, niet primair op het curriculum. Hij weet in al zijn poriën dat hij pas wat met zijn curriculum kan als de leerling zover is, als hij gemotiveerd met hem kan werken.

Hoe komt een leraar zover?
Reflectie is een krachtige weg, nadenken, liefst met anderen over je doen en laten en opnieuw proberen en evalueren. Maar deze weg wordt effectiever, naarmate je leerlingen er meer bij betrokken kunnen zijn. Het is zoals met ouderschap. Ouders reflecteren, zeker als het niet vanzelfsprekend gaat, met elkaar en met andere ouders en worden daar wijzer van. Maar ouderschap leer je uiteindelijk van je kinderen. Zo lijkt me dat het ook voor een leraar gaat: het leraarschap leer je van je leerlingen, ongemerkt, maar ook gemerkt, als je het goed wil doen. Dan luister je actief, vraag je om commentaar, interview je je leerlingen, vraag je ze om suggesties en om oplossingen voor problemen in de interactie of ook in de didactiek en de organisatie van het onderwijs, laat je ze doen wat ze kunnen.

Je leerlingen kennen hun en jouw situatie als hun broekzak, zijn onvervangbaar als bron van informatie, maar ook als steunbron, als aanmoediging, als bekrachtiging en als kritische vriend. Dit, terwijl de verhoudingen tussen leraren en leerlingen a-symmetrisch blijven. Leraren hebben deels andere verantwoordelijkheden dan leerlingen en blijven eindverantwoordelijk. Het gaat bij PT om het ontwikkelen van een kwaliteit van verbondenheid van leraar en leerling waarin de leerling wordt erkend als van zichzelf, als een eigen, onvervreemdbare identiteit, die ontwikkelingstaken moet volbrengen waartoe jij als leraar hem moet uitdagen en waarbij je ondersteunt, maar wel zo dat je hem helpt zichzelf te helpen, te ontwikkelen, zichzelf te leren kennen als actor en als verantwoordelijk, als iemand die van betekenis is voor anderen en omgekeerd, met een eigen gezicht en een eigen bijdrage die ook gewaardeerd wordt. In PT is dit beeld van meet af aan aanwezig.

Zie ook website www.pedagogischetact.nl.
Daar kun je ook het boek bestellen dat begin 2013 is uitgekomen.

Literatuur

  • Manen, M. van (1991, 2006 laatste editie). The Tact of Teaching. University of Western Ontario: The Althouse Press.
  • Riksen-Walraven, M. (1998). Meten in perspectief. Tijdschrift voor Orthopedagogiek, 28, 16-33.
  • Letschert-Grabbe, B. (2009). Dennis, de schrik van de school. Assen: van Gorcum.