inspiratie, legitimatie en verbinding
Deze website wordt inmiddels elke maand meer dan 150.000 keer bezocht! De verhalen komen van leraren, schoolleiders, bestuurders, ouders/opvoeders en onderwijsbetrokkenen zelf.
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

profiel

Ellen Emonds


Ellen Emonds
Bekijk mijn profiel

Stemming van hetkind
twitter

‘Zijn we vergeten hoe het is als je wereld op zijn kop staat door dingen die volwassenen niet begrijpen?’ hetkind.org/?p=54825

Ongeveer 10 uur geleden op hetkind's Twitter via hetkind website

facebook
‘Je bent erbij, je ziet het en je neemt je verantwoordelijkheid. En dan ben je tien’

6 juli 2015

Ellen Emonds

Ruzie op het schoolplein. Youssef en Cas vliegen elkaar in de haren. Een paar kinderen springen er tussen, trekken ze uit elkaar en halen juf Ellen erbij. ‘Wat dapper, wat verstandig en wat knap’, zegt zij even later. ‘Je bent erbij, je ziet het en je neemt je verantwoordelijkheid. En dan ben je tien…’ In dit blog beschrijft Ellen Emonds haar handelen in deze situatie: ‘Na een ruzie moet je opnieuw afstemmen. Dat kunnen kinderen zelf, maar niet alleen.’

‘Je moet nú komen, er is hele erge ruzie! Ze vechten echt!’

Ik zette net mijn fiets weg toen een meisje uit mijn klas me rennend kwam halen. We hadden gegymd en kwamen met drie groepen op de fiets terug. Terwijl ik mijn fiets stalde, gingen Youssef en Cas aan de andere kant van het schoolplein stevig met elkaar op de vuist. Ik zag een grote groep kinderen staan en rende er naartoe. De twee jongens werden door andere kinderen uit elkaar gehouden, maar kookten nog van woede en schreeuwden naar elkaar. Ik bedankte de kinderen die het gevecht gestopt hadden en vroeg hen alvast naar binnen te gaan. Cas stond met een opzwellend oog en een hevig op-en-neer gaande borst woedend naar Youssef te kijken. Youssef leek al aardig rustig maar zei: ‘Als hij klappen wil, kan hij ze krijgen.’ Ik stuurde ook Cas naar binnen en hij en zijn vrienden liepen met een arm om hem heen naar binnen. Ik keek naar Youssef, hij stond daar nog alleen. ‘Zal ik met jou mee naar binnen lopen?’ Hij knikte.

Youssef zit sinds een jaar bij ons op school. Hij is twee jaar eerder met zijn ouders en broertjes naar Nederland gevlucht vanuit Somalië. Dat was wat er nog over was van hun gezin: drie kinderen zijn vermoord. Een tijdlang heeft hij in een asielzoekerscentrum gewoond voordat hij met zijn familie naar ons dorp verhuisde. Youssef zit niet bij mij in de klas, ik ken hem vooral uit de verhalen van mijn collega. Zij heeft hem nu voor het tweede jaar in haar klas en houdt met heel haar hart van deze jongen. Hij leert ons land kennen aan haar hand. Hij begrijpt ons Nederlanders met haar uitleg. Hij vindt zijn veiligheid in haar nabijheid. Ze is zijn spiegel en hij de hare. En ze is zijn tolk naar iedereen die hem niet begrijpt. Nu was ze er niet. Hij zag er eenzaam uit.

De ruzie ontstond na een opeenstapeling van irritaties aan beide kanten. Ze daagden elkaar uit tot de vlam in de pan sloeg en Youssef Cas keihard in zijn gezicht sloeg. Met zijn vuist. Het broertje van Cas zag dat en sprong er tussen. Toen ook hij een klap kreeg, werd het twee tegen één en al gauw drie tegen één toen ook nog de beste vriend van Cas meedeed. Een paar kinderen zijn er tussen gesprongen, hebben ze uit elkaar getrokken en mij gehaald.

Wat dapper, wat verstandig en wat knap. Je bent erbij, je ziet het en je neemt je verantwoordelijkheid. En dan ben je tien…

Eenmaal binnen gaan beide jongens naar hun eigen klas, Cas naar groep 8 en Youssef naar groep 6/7. Ik neem mijn klas mee naar onze eigen groep. Sem, het broertje van Cas hoort bij ons. De kinderen zijn in de war, geschokt en verdrietig. Sommigen moeten er een beetje van huilen en Sem zit te trillen op zijn stoel. Ik vraag om aandacht en vertel kort wat er buiten is gebeurd, niet iedereen had het helemaal meegekregen.

Ik vraag Sem te vertellen wat zijn ervaring is. Hij zegt dat hij zag dat zijn broer in gevaar was en dat hij daarom wel iets móest doen. Er tussen springen, meevechten. Ik zeg hem dat hij het goed gedaan heeft. Als je broer in gevaar is, moet je ingrijpen en dat doe je zo goed als je het op dat moment kunt, anders had je het wel anders gedaan. Toen ik dat zei, begon hij te huilen. Hij had het heel spannend en eng gevonden. Joost stond op om hem te troosten.

We spreken in de klas over ruzie. We zijn het met elkaar eens dat ruzie niet fijn is, maar er wel bij hoort, bij het leven. En ik leg uit dat ruzie ook weer een begin is van een nieuw contact, dat het soms nodig is, omdat je op dat moment niet anders kunt laten merken hoe je je voelt. En dat vechten daar een gevolg van kan zijn, ook al wil je dat liever niet. Na een ruzie moet je opnieuw afstemmen, opnieuw de verhoudingen bepalen en dat kunnen kinderen zelf, maar niet alleen.

Na tien minuten is de meeste spanning gezakt en gaan we aan het werk. Ik loop even naar mijn collega’s en vraag hen hoe het gaat met de kinderen en met hen. Ook daar is het redelijk rustig, maar is de boosheid niet weg. Een uur later is de ochtend voorbij. Omdat we niet willen dat het opnieuw misgaat, fietst mijn collega met Youssef mee naar huis. En om één uur haalt ze hem weer op. We spreken af dat we aan het eind van de dag met de twee jongens, broertje en beste vriend in gesprek gaan.

Ondertussen vertelt mijn collega dat Youssef haar onderweg naar huis liet weten enorme spijt te hebben van de vechtpartij. Hij mocht van zijn vader absoluut niet meer vechten, maar het was hem niet gelukt zich aan die opdracht te houden. ‘Cas maakte mij zo boos, zo boos, dat ik me niet meer in kon houden. Ik heb hem een duw gegeven en toe hardop gezegd: ik stop, ik doe dit niet. Maar toen kreeg ik een harde duw terug en toen deed ik het toch. Hij maakt mij woedend en dan lukt het me niet meer.’

Om kwart over drie zitten we allemaal samen aan tafel, vier jongens en drie juffen. Ik zeg dat we hier zitten om af te spreken hoe we kunnen zorgen voor veiligheid voor alle jongens. Ik zeg bewust niets over goedmaken en excuses aanbieden, dat hoeft niet van ons te komen. Ik vraag wel hoe het met hun kwaadheid is. De jongens vertellen wat er gebeurd is.

In zijn taal en zijn houding is Youssef zo open en eerlijk. Hij laat geen detail achterwege in zijn verhaal en is zeer kritisch naar zichzelf. Hij geeft alles wat hij te geven heeft, zegt hardop dat hij geen ruzie wil maken, met niemand, en dat hij dit niet meer wil laten gebeuren.

Op zijn beurt is Cas ook eerlijk. Hij vertelt dat hij nog steeds kwaadheid in zich voelt en dat hij eigenlijk nog iets terug wil doen. Ik erken zijn wraakgevoelens, hij heeft immers de meeste klappen gehad. Ik leg hem tegelijkertijd uit dat het een spiraal is. Wraak vergelden roept wraak op, ergens moet het stoppen. Kan hij aangeven wat hij nodig heeft om te stoppen? Dat blijkt moeilijk voor Cas.

Ik wend me tot zijn vriend Olav: ‘Zie jij het bij Cas aankomen als hij boos wordt?’
Ja, dat ziet hij en hij benoemt hoe het gezicht van Cas er dan uit ziet. ‘Kun jij op dat moment Cas tot rust brengen?’ Ook dat kan volgens Olav, bijvoorbeeld door Cas mee te nemen naar een andere plek. ‘En Cas, kun jij op Olav vertrouwen? Zou hij dit goed in weten te schatten bij jou?’
‘Ik denk het wel,’ antwoordt Cas. ‘Dat is hem al vaker gelukt.’

Vervolgens kijk ik naar zijn broertje en vertel Cas dat het voor Sem heel naar was en dat het volstrekt normaal is dat hij bij gevaar zijn broer helpt. ‘Maar als jij je niet kunt beheersen, breng je ook Sem in gevaar, hij is ook geslagen. Heb je dat er voor over?’ Cas schudt zijn hoofd.

De kinderen spreken met elkaar een wapenstilstand af, ze zullen elkaar zo veel mogelijk met rust laten en zodra er spanningen komen een volwassene erbij halen. Allevier willen ze hier hun verantwoordelijkheid nemen. Dit zeggen ze zelf, wij stellen dit niet voor.  Mijn collega vraagt of het nodig is dat wij nog naar huis bellen om hun ouders te informeren. Ze zeggen dit zelf al gedaan te hebben tussen de middag en het straks nogmaals te bespreken.

Ik vraag hen om in hun verhaal naar hun ouders de ander niet enkel als boeman neer te zetten en ook eerlijk te zijn over hun eigen aandeel. Mijn collega vult aan door te zeggen dat ouders altijd mogen bellen als ze er van ons meer over willen horen.

Ten slotte vragen we of het nog nodig is om iemand naar huis te begeleiden, of het veilig is voor iedereen. Ook dat is niet nodig. Als mijn collega zegt dat Cas en Youssef wel samen kunnen fietsen, kijken ze elkaar verbaasd aan. ‘Wonen wij zo dicht bij elkaar?’ Ze zijn praktisch buren zonder het te weten. Als je dat niet weet, wat weet je dan wel van elkaar…

Even later vertrekken de vier jongens uit de klas, pakken hun jassen en tassen en sjokken de school uit. Iemand die enkel dit ziet, zou denken dat het gewoon vier vrienden zijn.
 Nu nog niet. Misschien later.

Ellen Emonds werkt als leerkracht op EGO-school ‘De Bonckert’ in Boxmeer. Ze is docent ‘Pedagogische Tact’ bij het NIVOZ. Verder werkt als projectleider voor het ExpertisecentrumErvaringsgericht Onderwijs