inspiratie, legitimatie en verbinding
Deze website wordt inmiddels elke maand meer dan 150.000 keer bezocht! De verhalen komen van leraren, schoolleiders, bestuurders, ouders/opvoeders en onderwijsbetrokkenen zelf.
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

profiel

Rien Spies


Rien Spies
Bekijk mijn profiel

Stemming van hetkind
twitter

‘Dit was een les die ik gaf met tranen in mijn ogen. Diepe, rauwe gesprekken werden in deze klas gevoerd’ hetkind.org/?p=53693

Ongeveer 8 uur geleden op hetkind's Twitter via hetkind website

facebook
Familiebanden en solidariteit: ‘Je moet je best voor elkaar blijven doen om elkaar oprecht te kunnen blijven volgen en elkaar werkelijk te begrijpen’

11 januari 2016

Rien Spies

‘Wie eenmaal in plaats van een a of een b een d scoort op een Cito- toets, gaat zich ook als een d’tje gedragen.‘ In aflevering twee uit de reeks van het boek De Zaanse Agora – over menswording, Bildung en wat daarin van betekenis is – vertelt schrijfster Judith Koelemeijer over familiebanden, onderwijs en jongeren, toen en nu: ‘We kijken tegenwoordig beter naar kinderen, waardoor ze sneller de nodige hulp krijgen. Aan de andere kant is de teneur nu dat kinderen vaak horen dat ze bij testen tekortgeschoten zijn.’

3D-cover-350x500Onderwijs moet voorbereiden op een wereld die er nog niet is. Hoe doe je dat? Trouw-journalist en auteur Peter Henk Steenhuis interviewde bekende Nederlanders, Zaankanters, leraren en leerlingen. Lees meer of bestel de Zaanse Agora.

‘Wat is de band die familie heet?’ Acht jaar na de verschijning van Het zwijgen van Maria Zachea publiceerde Judith Koelemeijer (1967) Mijn vader, de familie en ik, een boekje waarin ze ingaat op het ontstaan van haar bestseller over haar Zaanse familie. Eind 1988 had haar grootmoeder een hersenbloeding gehad, als gevolg waarvan ze niets meer kon en nog nauwelijks sprak. Ruim acht jaar verzorgden haar twaalf kinderen haar, avond aan avond zaten ze bij haar stoel.

Toen Judith Koelemeijer zich voornam het verhaal van haar familie op te schrijven, richtte ze zich aanvankelijk vooral op die ‘onuitgesproken loyaliteit’. Maar het onderwerp werd breder. In Mijn vader, de familie en ik haalt Koelemeijer ook delen aan uit haar dagboek dat ze tijdens het schrijven bijhield: ‘Langzaam begint het idee voor een boek vorm te krijgen. Het wordt me steeds duidelijker waar het over zou moeten gaan: over het belang van waar je vandaan komt, je plek in het gezin, geworteld zijn. Het fascinerende van de familie Koelemeijer is dat het zo’n hechte clan is, waar niemand tussen komt.’

Vervolgens schreef Koelemeijer een boek waarin generaties zich herkenden. Niet zozeer door de zwijgende oma of door het hoveniersbedrijf dat de familie runde, maar doordat uit de verhalen van Koelemeijers vader en zijn broers en zussen – geboren tussen 1934 en 1953 – een tijdsbeeld naar voren komt van een land dat zich ontwikkelde, maar waarin de familiebanden ook sterk onder druk kwamen te staan. Zo werd Het zwijgen van Maria Zachea veel meer dan een familiegeschiedenis: het beschrijft de unieke betekenis van een thuissituatie in de twintigste eeuw.

judithkoelemeijerJudith Koelemeijer nu: ‘De omgangsvormen, de manier van praten, het denken over het gezin zijn anders, maar ik vraag me af of families wezenlijk anders functioneren dan vroeger. Het grootste verschil met vroeger is dat er veel meer bespreekbaar is. Dat betekent niet dat we elkaar echt beter begrijpen, of dat de individuele leden minder pijn voelen, of minder eenzaam zijn. Ik ben nu zelf moeder van een jongen van twaalf en een meisje van twee. Je moet je best voor elkaar blijven doen om elkaar oprecht te kunnen blijven volgen en elkaar werkelijk te begrijpen.’

Hoe is het gezin van uw vader te typeren?
‘Het was bijna een werkeenheid. Iedereen had zijn eigen taak: de oudere zuster moest haar moeder helpen voor het gezin te zorgen. Als jongere in het gezin voelde je dat er voor je gezorgd werd. Mijn vader en een aantal broers begonnen al op jonge leeftijd in het hoveniersbedrijf van hun vader te werken. “Pa nam Jan in de zaak” staat er in mijn boek, maar wat Jan daar zelf van vond wisten ze niet.
Deze werkers zorgden ervoor dat er geld kwam. Andere zonen konden gaan studeren. Zij werden thuis ‘de studenten’ genoemd; zij zorgden ervoor dat het gezin werd opgestuwd in de vaart der volkeren. Iedereen had zijn eigen taak, wist wat er van hem of haar verwacht werd. Ze moesten vooruit en dat moesten ze samen doen. Daardoor functioneerde het gezin ook. Maar er werd niet aan je gevraagd hoe je een bepaalde gebeurtenis ervaren had, of je wel de juiste schoolkeuze maakte, of dat je iets heel anders met je leven wilde. Dat is volkomen veranderd.’

En binnen dat gezin was het vanzelfsprekend voor de moeder te zorgen als zij ziek werd.
‘Als je dan toch allemaal werknemer bent in een gezin, onderdeel van die werkeenheid, dan neem je ook geen ontslag. Dan doe je mee. Ik vroeg dat wel eens aan mijn vader: hoe doen jullie dat nou? “Gewoon, dat doe je voor je moeder.”’
‘Ik vond dat niet zo gewoon. Mijn fascinatie voor die zwijgende moeder en de kinderen die haar avond aan avond verzorgden, werd aangewakkerd door mijn man, Vuk Janic, die oorspronkelijk uit Bosnië komt en filmmaker is. Toen ik hem net kende, gingen we een keer bij mijn oma op bezoek. Hij werd onmiddellijk gegrepen door die matrone die daar maar zwijgend in haar stoel zat. “Al die kinderen,” zei hij, “die kunnen nu alles tegen haar zeggen. En zij zegt niets terug.” Zo had ik er nog nooit tegenaan gekeken.
Dat kwam misschien ook omdat ik zelf onderdeel was van die familie. Ik groeide op aan de Dorpsstraat in Wormer, op de plek waar ook mijn vader en zijn twaalf broers en zussen hadden gewoond. Met mijn vriendinnen speelde ik vaak op de zolder van het vroegere ouderlijk huis van mijn vader, waarin zijn langharige broers Guus en Gerard woonden. We vonden er oude spiraalbedden met kuilen in het midden, bloemetjesjurken die mijn oma had gedragen, kasboeken van mijn opa, vele vergeelde Arendsoogboeken en bergen weckflessen. Wanneer Guus en Gerard niet thuis waren, legden zij de sleutel van de buitendeur voor ons op een richel. De familieleden uit de buurt liepen via de achtertuinen bij elkaar naar binnen; aanbellen of kloppen deed je nooit. Het was toch allemaal ‘eigen’, zoals mijn vader altijd zei.
Ik heb dat ‘eigen’ zelf ook nog sterk ervaren. In mijn boekje over het schrijven van Maria Zachea staat: “Lange tijd maakte ik vanzelfsprekend deel uit van die grote luidruchtige familieclan. Nog toen ik begin twintig was en in mijn eentje maandenlang door Griekenland zwierf, dacht ik soms: als het hier helemaal misgaat en mijn ouders zijn niet bereikbaar, dan kan ik altijd de familie bellen – er is vast wel iemand die me komt redden.”
Dat clubgevoel zal zeker met die aantallen te maken hebben, wij waren met heel veel Koelemeijers. En anderen verbonden mij daar ook mee, ik was er één van. Daardoor ga je jezelf ook zo zien. Het is net zo goed de blik van de ander, die jou mede bepaalt.’

De gezinnen zijn nu veel kleiner.
‘Daardoor worden de individuele stemmen veel beter gehoord. Enkele broers van mijn vader hebben zich in die grote groep heel eenzaam gevoeld. Nico at bijvoorbeeld erg slecht, hij wilde alleen maar ‘kinderachtig eten’, zoals zijn broers dat noemden. Door consequent eten te weigeren vroeg hij aandacht van zijn moeder, die hij ook kreeg, want zij bakte pannenkoeken voor hem. Jan vertelt dat hij niet eens een eigen stoel had om zijn kleren overheen te leggen. Er werd niet gezorgd voor een eigen plekje voor je onderbroeken en sokken. Alles lag in één lade, en je zocht het maar uit. Jan had het gebrek aan privacy heel pijnlijk ervaren.’

We hebben nu allemaal een eigen kamer en een eigen computer. En we geven kinderen meer aandacht.
‘Heel veel meer. Soms misschien wel te veel. Onlangs hoorde ik een mooie uitdrukking: kinderen gedijen ook bij liefdevolle verwaarlozing. Kinderen moeten zich geborgen, veilig, bemind weten, maar je moet ze ook ruimte geven om eigen keuzes te leren maken, en om ze op hun bek te laten gaan. Blijf je er als een moeder- of vaderkloek boven hangen, dan worden ze niet groot.’

Gevolg van die toegenomen aandacht is ook dat de verwachtingen van ouders veel hoger zijn geworden. De meisjes in het gezin dat u beschrijft, hadden geen last van hoge verwachtingen.
‘Zij werden huisvrouw. Toos, de op een na oudste dochter van het gezin, was het er niet mee eens. Maar het kwam niet in haar op zich hiertegen te verzetten. Zij wilde Duits leren en vroeg aan haar broer: “Toe Maarten, leen me je Deutsche Wortschatz. Ik wil ook Duits leren.” Tussen al haar taken door leerde ze het woordenboek uit haar hoofd. Het kwam haar veel later nog van pas, toen ze de moedermavo ging doen. Daar was ze heel trots op, zij had absoluut de hersenen om door te leren.’

Dat meisjes dezelfde kansen krijgen als jongens – dat is vooruitgang. Als je kijkt naar onze tijd en de tijd die jij beschrijft, zijn er dan meer dingen verbeterd?
‘Mijn vader werd net als zijn vader hovenier. Hij moest echt hard werken, en de gesprekken aan tafel gingen ook bijna altijd over werk. Voor plezier was weinig ruimte. Hij had zijn uitspattingen met drank en kermissen, maar die waren erg kort in vergelijking tot de tijd die hij werkend doorbracht. Omdat hij een eigen hoveniersbedrijf kon opzetten en jong trouwde, kreeg hij op jonge leeftijd veel verantwoordelijkheid te dragen. Ook toen wij klein waren, werkte hij altijd zes dagen.
In vergelijking met die generatie hebben wij ongelooflijk veel tijd gekregen. Ik plukte de vruchten van een nieuwe tijdgeest die in de jaren zeventig opkwam, waarbij aandacht voor jezelf, voor je ontwikkeling voorop stond. Dat werd in de jaren tachtig alleen maar meer. Wij beheersten de kunst van het uitstellen: nog niet studeren, eerst nog reizen; nog niet trouwen, eerst wat uitproberen met relaties. Voor die tijd ben ik erg dankbaar.’

Hoe is dat nu?
‘Anders. De jeugd is nu veel meer op hun cv gericht. Ze moeten nu echt die ene master doen, anders liggen ze er naar hun eigen idee al uit. Laatst vertelde iemand mij over zijn stiefzoon die alle opleidingen volgens het boekje had gedaan omdat hij per se naar de Amsterdamse Zuidas wilde. Op zijn cv was niets aan te merken. Eenmaal bij de poort van de Zuidas ontdekte hij nog honderd van die jongens zoals hij. Dat is triest, door zijn voorspelbare, perfecte opleiding was hij inwisselbaar geworden.’

Misschien komt dat doordat de perspectieven op werk in uw tijd beter waren?
‘Dat vraag ik me af. Midden jaren tachtig was er ook geen werk. Wij gingen tamelijk relaxed om met slechte toekomstverwachtingen. Ik kan me niet herinneren dat we ons er echt door uit het veld lieten slaan.’

De tijdgeest verandert, en daarmee ook allerlei waarden uit de privésfeer. Stel, u zou doceren, welke waarden zou u kinderen willen meegeven?
‘Zelfvertrouwen. Dat vind ik echt belangrijk. Aan de ene kant zie je duidelijk dat het onderwijs afgelopen decennia geprofessionaliseerd is. Een zwaar dyslectisch meisje werd vroeger vaak jarenlang voor dom gehouden – dat zal niet snel meer voorkomen. We kijken tegenwoordig beter naar kinderen, waardoor ze sneller de nodige hulp krijgen. Aan de andere kant is de teneur nu dat kinderen vaak horen dat ze bij testen tekortgeschoten zijn en wie eenmaal in plaats van een a of een b een d scoort op een Cito- toets, gaat zich ook als een d’tje gedragen. Daar worden ze onzeker van. Als je hun de ruimte geeft anders te zijn, geeft hun dat zelfvertrouwen.’

Dat was vroeger beter?
‘Ik houd niet van ‘vroeger was het beter’. Ik denk wel dat afwijking van de norm meer geaccepteerd werd. De een was druk, de ander liep wat achter. Het eerste hoofdstuk uit Het zwijgen van Maria Zachea beschrijft de geschiedenis van de oudste zus van mijn vader, Jo. “Meid, jij komt altijd een slag op achter,” zei haar moeder. Ze bedoelde te zeggen dat Jo niet zo snel was. Tegenwoordig accepteren we moeilijk dat iemand niet zo snel is, of misschien tijdelijk wat achterloopt. Elk kind bevindt zich op een curve, en volgt de curve niet de ideale lijn, dan ontstaat er een probleem dat moet worden opgelost.
Er zijn verwachtingen ontstaan waaraan leerlingen moeten voldoen. Meisjes voldoen daar eerder aan dan jongens, dat komt ook doordat bijna alle leraren vrouw zijn. Vroeger zaten jongens óók te wippen op een stoel, maar dat was toen niet zo’n punt.’

Zou het goed zijn als kinderen minder snel met tekortkomingen geconfronteerd worden?
‘Leraren kunnen een belangrijke rol spelen bij het opbouwen van dat zelfvertrouwen. Rond mijn vijftiende was ik een heel onzekere puber. Gruwelijk. Ik had het gevoel dat ik niets kon. Tot we op werkweek gingen, en op een gegeven moment wiskundedocent Gerard – zijn achternaam weet ik niet, wij noemden docenten toen bij de voornaam – tegen mij zei: “Schrijf jij eens tien goede punten van jezelf op. Niet wat je niet kan, wat je wél kan.” Ik had geen les van hem, maar hij had gemerkt dat ik behoorlijk onzeker was. Dat heb ik gedaan, ik heb hem het lijstje gegeven. Niet met een gesprek, dat gebeurde toen niet. Hij heeft mij laten weten dat het lijstje in orde was. Dat heeft mij toen zo goed gedaan. O, dacht ik, ik kan mijzelf ook van een andere kant bekijken. En er is iemand die dat ziet. Hij gaf mij het gevoel: “Jij bent wel oké.”’

Lees hier het hele interview dat Peter Henk Steenhuis hield met Judith Koelemeijer.

Judith Koelemeijer is schrijfster en journaliste. Ze studeerde Nederlands en Culturele Studies, volgde een cursus aan de postdoctorale opleiding Journalistiek en werkte vervolgens bij de Volkskrant. In 2000 nam ze ontslag om zich volledig te kunnen wijden aan het schrijven van haar debuutroman Het zwijgen van Maria Zachea, die in 2001 verscheen. Van deze familiegeschiedenis werden meer dan 250.000 exemplaren verkocht en het boek werd bekroond met de NS publieksprijs in 2002, het Gouden Ezelsoor in 2003 en de Zaanse Cultuurprijs. Zij schreef verder nog de biografie Anna Boom, Mijn vader, de familie en ik en Hemelvaart.

3D-cover-350x500De Zaanse Agora op hetkind

De wereld verandert razendsnel, maar het aantal sferen waarin we ons bewegen, blijft door de eeuwen heen min of meer constant. Wellicht kunnen we in de acht sferen van het model – privé, privaat, publiek, politiek, religie, sport, kunst en filosofie – aanknopingspunten vinden voor toekomstgericht onderwijs.

Vanuit elke sfeer geven bekende Nederlanders en Zaankanters hun visie op bildung, onder wie schrijfster Judith Koelemeijer, cabaretier Freek de Jonge, beeldhouwer Joost van den Toorn, wielrenner Mike Terpstra, burgemeester Geke Faber, restaurateur Bart Nieuwenhuijs en de directeur van het Zaans Museum, Jan Hovers. Denker des Vaderlands Marli Huijer diept het begrip bildung verder uit. Via hetkind wordt een aantal verhalen in een wekelijkse serie gepubliceerd.

De samenstelling en redactie zijn verzorgd door Anneke Bax, Marja Bruinsma, Erno Eskens en Gerard van Stralen.

Klik hier om een exemplaar te bestellen