inspiratie, legitimatie en verbinding
Deze website wordt inmiddels elke maand meer dan 150.000 keer bezocht! De verhalen komen van leraren, schoolleiders, bestuurders, ouders/opvoeders en onderwijsbetrokkenen zelf.
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

profiel

Marcel van Herpen


Marcel van Herpen
Bekijk mijn profiel

Geert Bors


Geert Bors
Bekijk mijn profiel

Stemming van hetkind
twitter

Dit is de leraar die ik ben en dit is waar ik voor sta! hetkind.org/?p=55581

Ongeveer 7 uur geleden op hetkind's Twitter via hetkind website

facebook
Een pedagogisch antwoord op radicalisering: ‘Het pedagogische is niet soft. Het is ons tegenwicht tegen buitensluiting.’

23 maart 2016

Marcel van Herpen

Brussel. En al die andere aanslagen, dichtbij en ver weg. Voorbij de verbijstering en het verdriet voelt Marcel van Herpen dat ze een pedagogisch appèl doen aan iedere opvoeder. Hij schreef het na Parijs, maar zijn woorden zijn nu weer even relevant. Want hoewel de agressie mondiale dimensies heeft, schuilt er vaak veel lokalere problematiek achter de frustraties waarmee de jonge daders hun verschrikkingen begaan. Problematiek van maatschappelijke uitsluiting. Problematiek waarop iedere leraar, buurtwerker of sportcoach alert moet zijn: ‘Het pedagogische is niet soft. Het is ons tegenwicht tegen buitensluiting. Want buitensluiting kan dodelijk zijn.’

pexels-photo (20)‘Onvoorstelbaar toch?’, hoorde ik mezelf zeggen, ‘dat er mensen zijn die blikjes zomaar weggooien, terwijl er afvalbakken zijn.’ Dit betoog, dat over radicalisering en een pedagogisch antwoord daarop zal gaan, begint bij een colablikje.

Een op de grond achtergelaten blikje. Zo klein en banaal. Zoiets waarvan de meeste mensen een opwelling van ergernis krijgen. Waarom? Omdat het zo’n kleine moeite is om anderen niet op te zadelen met jouw troep. Een moeite die je moet willen doen, in de sociale ruimte. Een moeite die moreel geladen is, dus. Het kan niet anders dan dat iedere denkbare samenleving iets heeft afgesproken over de omgang met verspilling, afval en het delen van de publieke ruimte.

En toch zie je mensen hun ergernis vaak verbijten, als er iemand voor hen op straat iets achteloos weggooit. Vooral als je een ontoegankelijkheid ervaart tot die persoon, bijvoorbeeld door angst of afkeer. Opeens voelt de vraag om iets op te rapen dan zo suf, zo schoolmeesterachtig.

Ik deed bovenstaande uitspraak niettemin ooit in een setting van jongens die door grote delen van de samenleving, inclusief het onderwijs, worden gezien als lastig, druk, brutaal en onbenaderbaar. Voor sommigen misschien zelfs: afgeschreven. Ik zat als hoofdcoach van de Ruud van Nistelrooy Academy bij een groep jongens, bij wie het coachingstraject niet zo succesvol verliep. Ik kende de mannen nog geen half uur, maar er was al iets van een band ontstaan. Vooral met Tariq uit Irak, omdat hij hetzelfde ‘kapsel’ had als ik en ik vroeg of hij zijn haar ook schoor op tondeusestandje 1. Nadat we bij elkaar gevoeld hadden of het haar op onze schedels even lang was, was het ijs gebroken. Er was gemeenschappelijkheid, er was humor, er was vertrouwen, er was relatie. En dus raapte Tariq – hoe stuurs en vol verzet hij ook geworden was in een wereld waarin allerlei autoriteitsfiguren de hele dag maar tegen hem zeiden wat hij moest doen – het blikje zonder woorden, zonder morren op.

De levensreddende verantwoordelijkheid van ons als pedagoog

In onze samenleving zijn er kinderen die ontkoppeld raken. Die zichzelf ontkoppelen of die buitengesloten worden. Of allebei. Meestal zijn het die kinderen die het ons lastig maken – op straat, op de voetbalclub, in de klas. Er zijn opvoeders die het alleen maar durven te fluisteren tegen een collega, maar die eigenlijk blij zijn als het jaar om is en ze van zo’n lastpak af zijn. Maar het zijn bij uitstek deze kinderen die het meest onze aandacht en liefde nodig hebben. Het zijn deze kinderen die wij zullen moeten leren verstaan, om samen een inclusieve gemeenschap te kunnen worden.

Radicalisering is het eindpunt van wat wij bij NIVOZ ‘ontkoppeling’ noemen. Het is voor mij ondenkbaar dat wij – in een beschaafd land, ingebed in een beschaafde traditie, zoals wij van onszelf vinden – een onderwijssysteem hebben waarin uitval en buitensluiten een legale, gangbare praktijk is. Het is voor de gemiddelde ouder en docent helemaal niet vreemd dat kinderen continu worden beoordeeld op wat ze doen, dat ze daarvoor cijfers krijgen, dat we ze ten opzichte van elkaar bemeten en zelfs dat kinderen al op jonge leeftijd buiten de door ons vastgestelde gemiddelde norm kunnen vallen.

Het staat nauwelijks ter discussie dat het door ons opgetuigde systeem zelf kinderen buiten de klas, buiten de orde plaatst – op basis van intellectuele vermogens, op basis van gedrag. Als je in deze post-Parijs-periode kijkt wat er gebeuren kan, wanneer iemand zich buiten de orde voelt staan, kun je alleen maar beseffen dat het niet meer vijf voor, maar vijf over twaalf is. En als pedagoog voel ik de maatschappelijke verantwoordelijkheid daar iets aan te doen.

Het pedagogische is niet soft

Kinderen vertonen gedrag en dat gedrag is de expressie van een impressie. In de manier waarop een kind zich uitdrukt, vertelt het hoe het ‘beïndrukt’ is. Wat wij als opvoeders vaak zien als ‘lief’ of juist ‘moeilijk’ gedrag, is een uiting van de impressies die het kind gekregen heeft. Van hoe er met hem omgegaan is. Van hoe hij de wereld heeft leren begrijpen.

Er is eigenlijk maar één vraag voor een pedagoog, aan ieder kind: ‘wat kan ik voor je doen?’ Als pedagoog zorg je dat het kind gezien en gehoord wordt, en bied je jezelf aan als mogelijkheid tot relationele verbondenheid. Wanneer een kind de verbondenheid voelt tot zijn ouders, coaches en leraren, dan komt er ook verbondenheid tot zichzelf en kan het in morele zin de juiste keuzes gaan maken. De waarden die we als samenleving voor ogen hebben, worden in morele zin overgedragen in diep-emotionele wederzijdse betrokkenheid. Niet door instructie of een extra lesuurtje maatschappijleer.

Het gevaar van ontkoppeling is levensgroot, zo zagen we ook weer in Brussel. Kinderen die zichzelf niet vinden, omdat ze ervaren dat ze er niet bij horen – vanwege huidskleur, geaardheid, begaafdheid of lastig gedrag – zijn kinderen die ook hun psychologische basisbehoeften hebben. Hoewel ze buitengesloten zijn of zich zo voelen, zullen ze toch op zoek gaan naar relatie, competentie en autonomie. En die kun je soms vinden in groepen, die opgevoed hadden moeten worden. Groepen, die in morele zin niet klaar zijn verantwoordelijkheid te dragen. De stap naar een fout clubje, dat jou vertrouwen, een ander perspectief of een ander hiernamaals belooft, kan dan klein zijn.

Hoeveel voorbeelden hebben we nog nodig? Hoeveel keer Brussel, Parijs, Londen, Beiroet of Madrid, voordat we begrijpen dat we in pedagogische zin gemeenschappen moeten creëren – dorpen, stadsdelen, communities, waarin sportverenigingen, scholen en buurtwerkers samen optrekken en relaties weten aan te knopen met iedereen?

Neem de voetbalcoach die een goede band opbouwt met jongens, die weten dat ze voor het spelletje gemaakt zijn, maar van wie het gedrag op andere plekken ontoelaatbaar is. Ik zie hoe die coaches hun goede relatie kunnen gebruiken om die kinderen ook op straat en op school verder te helpen. Het pedagogische is niet soft. Vertrouwen is niet soft. Hechte relaties zijn niet soft. Het is ons tegenwicht tegen buitensluiting. Want buitensluiting kan dodelijk zijn.

Marcel van Herpen i.s.m. Geert Bors

Marcel van Herpen is sinds 2006 verbonden aan het NIVOZ, initiatiefnemer van platform hetkind, auteur en veelgevraagd spreker op onderwijsavonden en studiedagen. Dit verhaal maakt deel uit van een serie, waarvan de eerste twee delen gingen over respectievelijk de economisering en de medicalisering van het onderwijs.