inspiratie, legitimatie en verbinding
Deze website wordt inmiddels elke maand meer dan 150.000 keer bezocht! De verhalen komen van leraren, schoolleiders, bestuurders, ouders/opvoeders en onderwijsbetrokkenen zelf.
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

profiel

Ruben Jacobs


Ruben Jacobs
Bekijk mijn profiel

Stemming van hetkind
twitter

‘Zijn we vergeten hoe het is als je wereld op zijn kop staat door dingen die volwassenen niet begrijpen?’ hetkind.org/?p=54825

Ongeveer een uur geleden op hetkind's Twitter via hetkind website

facebook
Naar een relationeel zelfbeeld in het (hoger) onderwijs

5 augustus 2016

Ruben Jacobs

Geïnspireerd door onder meer filosoof Coen Simons’ werk ‘Waarom we onszelf zoeken, maar niet vinden’ zet Ruben Jacobs vraagtekens bij het (hoger) onderwijs en de heersende reflectiecultuur. Immers, het ‘zelf’ bestaat niet op zichzelf, maar alleen in actie, in relatie tot. Zelfreflectie is juist een zoektocht die gericht is op de buitenwereld, ‘niet om meer jezelf te worden, maar om te ontdekken hoe je het beste met de vreemde wereld om kunt gaan.’ Zijn essay is een pleidooi voor een minder eenzijdige reflectiecultuur.

zelfVorig jaar las ik in de Volkskrant een voetnoot van Arnon Grunberg waarvan ik wist dat ik hiervan nog eens gebruik zou kunnen maken.

‘Een filosoof die ik het afgelopen weekend in Stellenbosch, Zuid-Afrika, ontmoette, zei dat wij denken dat niets zonder ons bestaat. Dat zou het centrale probleem van de moderniteit zijn: het gaat altijd over ons.’

Het zijn vooral de laatste vijf woorden die in mijn geheugen zijn blijven ronddwalen. Het. Gaat. Altijd. Over. Ons. Het gaat niet meer over Hem, Het of Hen, maar over ons. Elke dag weer. De moderne mens is een doe-het-zelf-mens. Althans, zo beschouwt hij zichzelf graag; als autonoom, zelf beschikkend, als iemand die zijn eigen plannen trekt, zijn eigen keuzes maakt als individu. Dat is ons moderne levensideaal.

‘Ik kan het niet alleen’, luidde de titel van het laatste college van een van mijn grote voorbeelden op het gebied van onderwijs: de socioloog Bart van Heerikhuizen (UvA). In een overvolle zaal (zo’n pak ‘m beet 500 aanwezigen) gaf de met pensioen gaande docent zijn laatste ode aan het ‘hoorcollege’. Hij verwoordde daar – naast zijn bewondering – ook zijn zorgen over de snelle elektronische vernieuwing van het onderwijs (lees: de opkomst van het digitale hoorcollege) en de daaruit voortvloeiende bedreiging voor de volgens hem menselijke noodzaak van lijfelijke aanwezigheid in een gedeelde ruimte. Oogcontact, de stem, aanraking, de gedeelde emotionele opwellingen, allemaal noodzakelijkheden voor de intellectuele en emotionele ontwikkeling van de student. Aldus de docent.

Toen ik daar zo zat, omringd door verschillende generaties sociologen die allemaal ooit, soms heel lang geleden, werden verlicht en verleid door de passionele verhalen van de meester, besefte ik wederom hoe zeer ook mijn leven vervlochten is met dat van anderen. Mijn bewondering voor de meester was namelijk geen individuele aangelegenheid. Nee, ik deelde deze met nog honderden anderen. Niet alleen ik droeg een colbertje, zat nonchalant achterover, met mijn benen over elkaar geïnteresseerd te luisteren; om mij heen zag ik overal variaties op mijzelf. Van jong tot oud, van man tot vrouw. Allemaal in meer of mindere mate besmet met het verlangen om zichzelf en anderen te willen leren begrijpen.

‘Hoe mensen in en aan elkaar zitten’, zoals Abram de Zwaan, een andere inspirerende socioloog, ooit mooi samenvatte. De emotionele opwelling die zich toen van mij meester maakte, het nederige gevoel onderdeel te zijn van iets groters, riep zowel afgunst als troost bij mij op. Afgunst vanwege het besef maar een van de zovelen te zijn, troost voor het begrip juist afhankelijk te zijn van anderen. In deze tweespalt, de drang tot onderscheiding en tegelijkertijd de hang naar sociale erkenning, zit volgens mij de kern van het probleem van onze moderne tijd. We willen zo graag autonoom en authentiek zijn, maar tegelijkertijd kijken we constant naar de ander

Autonomie als moderne mythe?

In 1961 schreef de Franse-Amerikaanse antropoloog René Girard het boek ‘De romantische leugen en de romaneske waarheid’ waarin hij op eigenzinnige wijze aan de hand van klassieke literaire werken, zoals Don Quichot van Cervantes en De Idioot van Dostojewski, het model van de mimetische begeerte bloot legde: de menselijke drang tot imitatie, nabootsing.

Door het analyseren van de verhalen uit de wereldliteratuur[1] laat Girard op overtuigende wijze zien dat onze menselijke begeerte zich voortdurend vanuit een ‘driehoeksverhouding’ voltrekt. Een voorbeeld: persoon A begeert de vriendin van zijn beste vriend (persoon B), die nog maar weinig aandacht heeft voor zijn eigen vriendin, maar daardoor vervolgens weer opnieuw grote interesse krijgt; de een stuurt de ander aan in zijn begeerte, waardoor de een obstakel wordt voor de ander en rivaliteit en jaloezie het gevolg kunnen zijn[2].

Volgens Girard is de mens niet in staat om zichzelf te begeren, maar heeft hij daar iemand anders voor nodig, een model. In tegenstelling tot het instinct is het menselijk verlangen bemiddeld door een dergelijk model. Dat kunnen ouders, vrienden, vijanden, geliefden of voorbeeldfiguren zijn, elk mens is een potentieel nabootsingsubject. Belangrijk daarbij is om onderscheid te maken tussen biologische behoeftes, zoals trek en lust, en de begeerte zelf; deze laatste ontstaat pas door de imitatie van een model.

Vanuit die gedachte zou je dus kunnen zeggen dat de mimetische begeerte ergens tussen onze instincten en sociaal milieu in staat. De manier waarop wij dingen en mensen waarderen is nauw verbonden met de waarderingen daarvan door belangrijk geachte personen of groepen.

Aan dit mimetische krachtenveld valt volgens Girard onmogelijk te ontkomen, het is onze meest fundamentele manier van leren. Neurologisch onderzoek lijkt diezelfde kant op te wijzen, door de vrij recente ontdekking van ‘spiegelneuronen’[3] die op neuraal niveau handelingen van andere mensen in de hersenen simuleren. Hierdoor zijn we in staat om niet alleen te handelen en te voelen, maar begeren we tevens wat anderen voelen en begeren. En het gaat nog een stapje verder, want mensen hebben de begeerte van een ander nodig om er zeker van te zijn dat wat zij begeren, ook echt de moeite waard is om te begeren. Dit alles gebeurt op een dermate diep bewustzijnsniveau dat we het vaak niet door hebben. ‘Het slimme onbewuste’, zoals de psycholoog Ap Dijksterhuis het noemt.

Girard noemt het zelf de ‘romantische leugen’, de schijnbaar sociale werkelijkheid die zich voor ons voltrekt is niet wat het lijkt maar in werkelijkheid  bezit het een dubbele bodem, een mimetische werkelijkheid. Een werkelijkheid die constant weer opnieuw moet worden ontdekt, dat merk ik ook bij mijzelf.

Regelmatig betrap ik mij erop hoe hardnekkig mijn romantische illusies zijn, hoe sterk ik geneigd ben om in mijn eigen authentieke begeertes te willen geloven. Alleen al het schrijven van dit stuk verraadt mijn reeds geïmiteerde verlangen om als schrijvend wezen erkend te worden, ik poog iets te verkrijgen wat ik al eerder in andermans ogen heb gezien. En om dat te bemachtigen imiteer ik o.a. andere schrijvers. Volgens filosoof Joachim Duyndam, die in zijn werk vanuit een humanistiek perspectief het mimetisch begrip bestudeert, is de theorie dan ook in eerste instantie een constante herinnering. Een herinnering aan je eigen ‘plot achter het plot’.

‘De romantische leugen’ is daarbij ons zelfbeeld van de autonome mens, met zijn of haar eigen authentieke begeerte. We denken in staat te zijn tot individuele keuzemogelijkheden en vrijheid, maar feitelijk zijn wij grotendeels overgeleverd aan ons goed ontwikkeld en onbewust nabootsingsvermogen. Het individu is daarbij primair een inter-dividu[4]; pas in zijn abstractie wordt hij individu.

Deze relationele verhouding, het onophoudend in relatie staan tot de ander, is een pijnlijke constatering voor de mens die zichzelf liever als autonoom opererend wezen ziet. Het individu bestaat niet op zichzelf, maar moet vanuit een groep worden begrepen. Als een verstrengeld wezen in een ogenschijnlijk onzichtbaar web van ragfijne intermenselijke verbintenissen.

De paradox is echter dat in ons moderne mensbeeld, waar het ‘persoonlijke’ als uitgangspunt is genomen, niet kan worden ontkomen aan het gegeven dat deze autonomiedrang (je moet jezelf zijn, kennen en worden) in werkelijkheid een collectieve drang is geworden. Of met andere woorden: de individu-cultuur is massacultuur geworden. Een soortgelijke conclusie kwam ik wonderbaarlijk genoeg ook tegen in het recente proefschrift van de historicus Bram Mellink: ‘Worden zoals wij: Onderwijs en de opkomst van de geïndividualiseerde samenleving sinds 1945’ .

Deze studie gaat over het langlopende debat rondom de inrichting van het Nederlandse onderwijs, door te constateren dat de steeds dominantere poging van onderwijsorganisaties om kinderen tot vrije, zelfstandige burgers op te voeden, averechts heeft gewerkt. Juist in de gezamenlijke strijd voor individualisering creëerde men onbedoeld een hechte groepscultuur, een collectief geloof in het vrije, zelfstandige individu. In die zin lijkt mij de conclusie dat het individualiseringsproces een mythe is en dat onze ‘geïndividualiseerde’ samenleving eerder gezien moet worden als een langlopend groepsvormingsproces, geenszins overdreven.

Tegendraadsheid, eigenzinnigheid, authenticiteit, het zijn allemaal begrippen die onlosmakelijk met ons moderne leven zijn verbonden en tot heersende norm zijn verheven. Wie zich hier aan onttrekt wordt al snel afgeschilderd als conservatief, ouderwets of burgerlijk. Dit zie ik vaak duidelijk terugkomen in de hedendaagse uitingen van reclame en communicatie, waar deze uitgangspunten van het ‘authentieke leven’ centraal staan, en waar het inzicht dat niet producten of diensten zelf, maar de begeerte van de ander daarnaar (George Clooney drinkt een kopje Nespresso) de begeerte van de consument opwekt. De levenshouding, stijl en visie van het model zijn daarbij bepalend en het uitgangspunt waarmee de consument zich kan verbinden.

En ook daar verschuilt zich volgens mij een opmerkelijke paradox. Want waar we en masse op zoek zijn naar merken en producten die onze identiteit kunnen verstevigen, en de reclame deze zoektocht probeert te faciliteren (wees origineel, wees authentiek, net als George Clooney), daar kunnen we deze tegenstrijdige opdracht onmogelijk negeren of becommentariëren. De ‘double bind’[5] noemt Girard dit om daarmee aan te geven dat de opdracht om ‘origineel’ te zijn strijdig is met het principe daarvan. Je kunt immers moeilijk origineel te noemen zijn als je aan die oproep gehoor probeert te geven.

Reflecteren zul je leren

De ‘reflecterende professional’ is een belangrijk onderdeel van het gewenste studentprofiel binnen het hoger beroepsonderwijs. De student wordt immers opgeleid tot ‘creatief professional’ die in staat zou moeten zijn om ‘professioneel op zichzelf te reflecteren’. Aan de hand van reflectierapporten, intervisiebijeenkomsten, workshops persoonlijk leiderschap, studieloopbaantrajecten en persoonlijke ontwikkelingsplannen wordt met man en macht geprobeerd de student te laten reflecteren, zelfbewust en sturend te maken. Maar wat is nou eigenlijk het resultaat?

Overal in het onderwijs heerst er in ieder geval onvrede. Van de zijde van de docenten hoor ik regelmatig geklaag over de onwil van studenten en het erbarmelijk  niveau (‘een verzameling van aan elkaar geregen clichés’) van hun reflectieverslagen. Aan de andere kant, die van de student, heerst een algehele allergie voor alles wat hier maar mee te maken heeft. Studenten lijden na hun eerste jaar al vaak aan ‘reflectiemoeheid’. Uiteraard zijn er ook studenten die hier wel plezier aan beleven, maar die behoren zeker tot een minderheid.

Deze moderne ‘reflectiedwang’ – zoals Luken (2011) het in zijn studie naar de zin en onzin van reflectie noemt – is echter niet uitsluitend iets van de HKU. Er heerst over de gehele linie van het hoger beroepsonderwijs een brede consensus dat het goed of zelfs noodzakelijk is om te reflecteren. ‘Onderwijsbegeleiders en docenten lijken soms wel te geloven dat studenten niets leren, als ze niet expliciet maken, wat ze geleerd hebben,’ aldus Luken. De grote weerstand die dit oproept is volgens Luken dan ook geen wonder.

Uit hersenonderzoek en ontwikkelingstheorieën blijkt dat de meeste jongeren er nog amper klaar voor zijn om op een dergelijk ‘metacognitief’[6] niveau na te denken over hun functioneren. Luken laat daarbij overtuigend zien dat veel reflectieopdrachten in het kader van loopbaanontwikkeling nog steeds geïnspireerd lijken op een Cartesiaans en Freudiaans mensbeeld. Daarbij gaat het Cartesiaanse mensbeeld ervan uit dat mensen een individueel denkvermogen hebben dat hen meester maakt over de natuur en hun eigen natuur hen in staat stelt om op rationele basis keuzes te maken en hun toekomst kunnen plannen en sturen. Het Freudiaanse mensbeeld legt daarentegen juist de nadruk op dat onbewuste, maar maakt vervolgens wel de stap naar de mogelijkheid om dit onbewuste bewust te maken.

Hier zit dan ook volgens Luken het probleem, want deze mensbeelden zijn door tal van maatschappelijke en wetenschappelijke ontwikkelingen grotendeels achterhaald. Het gevolg is dat veel studenten in hun reflectie vaak hun ego verwarren (de sprekende en denkende linker hersenhelft) met hun zelf (de totale persoon, inclusief lichaam en onbewuste gedragingen). Met als risico dat  studenten keuzes maken en zichzelf pogen te sturen op basis van deze overgewaardeerde rationele vermogens en zich daardoor ook erg verantwoordelijk houden voor als het mis gaat. Luken waarschuwt dan ook voor de mogelijk schadelijke effecten (juist slechtere keuzes maken geeft een leven lang hekel aan reflecteren en zelfs eventuele depressies) van overmatig veel en onjuist reflecteren. Hij pleit in het kort voor minder en beter reflecteren.

Naar een relationeel zelfbeeld

Waarom we onszelf zoeken, maar niet vinden,’ luidt het ‘zelfhulpboek’ van filosoof Coen Simon, dat ik laatst met veel plezier las. Op verhelderende, maar ook grappige, manier laat hij zich kritisch uit over de heersende egocultuur, die zich inmiddels in alle uithoeken van de samenleving manifesteert. Wie ben ik? Wat kan ik? Wat voel ik? Het zijn vragen die in onze huidige cultuur vast onderdeel zijn geworden van ons vocabulaire. Maar volgens Simon is het onmogelijk om echt antwoord te krijgen op deze vragen. Althans, niet als je in jezelf graaft. Dan kom je terecht in een onoverzichtelijke warboel van gedachten en concepten.

Het ‘zelf’ bestaat niet op zichzelf, maar alleen in actie, in relatie tot. Zelfreflectie wordt daardoor volgens Simon vaak verkeerd begrepen, als innerlijke zoektocht. In werkelijkheid is het juist een zoektocht die gericht is op de buitenwereld, ‘niet om meer jezelf te worden, maar om te ontdekken hoe je het beste met de vreemde wereld om kunt gaan.’

Het is wellicht op het eerste gehoor een klein verschil, maar wel een fundamenteel verschil. Simon’s denken sluit dan ook mooi aan bij het relationele perspectief van de mimetische theorie. Beide leggen nadruk op de sterke wederzijdse afhankelijkheid van mensen en laten zich zeer kritisch uit over ons moderne geloof in het autonome individu. Dit roept wat mij betreft dan ook veel vragen op over hoe we tegenwoordig in het onderwijs omgaan met zoiets als reflecteren. Want wat levert het nu precies op? Gaan we ons doel niet voorbij? Moeten we deze reflectiecultuur, bezien vanuit de relativerende inzichten betreffende het autonomiebegrip, niet eens kritisch tegen het licht houden? En wellicht wel tot een herziening komen?

Wat mij betreft is dit broodnodig. Want als we willen dat de student van morgen als kritisch en evenwichtig professional de wereld in gaat, dan zullen we hem en haar die wereld ook moeten laten zien. En vooral hoe onlosmakelijk verbonden wij daar mee zijn. ‘Samen voor ons eigen’, vatte Jacobse en van Es[7] het met een mooie paradox samen.

En in het bestuderen van die mooie tegenstelling,  aan de ene kant individu willen zijn en aan de andere kant onderdeel van anderen willen zijn, ligt wat mij betreft een mooie uitdaging voor de toekomst van ons onderwijs.

Ruben Jacobs (1984) studeerde Kunst & Economie aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht en Cultuursociologie aan de Universiteit van Amsterdam. Momenteel is hij part-time docent aan de HKU waar hij o.a les geeft in kunst- en cultuursociologie en etnografisch onderzoek. Daarnaast is hij actief als freelance publicist en gaat zijn bijzondere interesse uit naar (kunst)filosofie, deugdethiek en de onderwijspraktijk. 

* Deze tekst is geschreven in het kader van de Master Kunsteducatie, van het HKU-project ‘Kunsteducatie in Context’,  gegeven door drs. N van der Geest

Literatuur

Elias, M., Lascaris, A (red)., Rond de crisis. Reflecties vanuit de Girard studiekring, 2011, Parthenon, Almere

Fromm, E., De angst voor de vrijheid, 1981, Bijleveld, Utrecht

Girard, R., De romantische leugen en de romaneske waarheid, 1986, Kok Agora, Kampen

Lascaris, A., Weigand, H., Nabootsing. In discussie met Rene Girard, 1992, Kok Agora, Kampen

Luken, T., De zin en onzin van reflectie, 2011, Tijdschrift voor begeleidingskunde, jaargang 28, nummer 4

Simon, C., Waarom we onszelf zoeken maar niet vinden. Zelfhulp voor denkers, tobbers en narcisten, 2013, AMBO, Amsterdam

Mellink, B., Worden zoals wij: Onderwijs en de opkomst van de geïndividualiseerde samenleving sinds 1945’, Universiteit van Amsterdam

 

Voetnoten


[1] Girard gebruikt de literatuur als onderzoeksobject omdat mimetische verhoudingen volgens hem altijd van narratieve aard zijn. De mimetische theorie is volgens Girard altijd plotgericht, het is op zoek naar het onderliggende plot achter het schijnbare verhaal.

[2] Girard poogt met zijn mimetische theorie een verklaring te geven voor geweld. Ik ga daar nu niet verder op in vanwege de focus op het principe zelf en het feit dat fysiek geweld in deze geen belangrijke rol speelt.

[3] Een spiegelneuron is een neuron die het gedrag van een ander mens spiegelt en op dezelfde manier actief is als de handeling zelf wordt uitgevoerd. Zowel dieren als mensen zijn in het bezit van deze neuronen, zij het dat mensen er aanzienlijk meer van hebben dan dieren.

[4] Deze term ontleen ik uit een studie van filosoof Joachim Duyndam, die in zijn studie naar het hermeneutische karakter van de mimese, op zoek gaat naar de relatieve mogelijkheid tot autonomie.

[5] Girard verwijst hier naar de antropoloog Georg Bateson die deze term voor het eerst gebruikte om te referen aan complexiteit van de communicatie met betrekking tot schizofrenie.

[6] Metacognitie is een begrip uit de filosofie en de leerpsychologie en richt zich in basis op ‘kennis over kennis’. Het wordt beschouwd als belangrijk reflectieniveau op leerprocessen.

[7] Jacobse en van Es waren twee typetjes van Van Kooten en de Bie die tussen 1979 en 1988 op televisie waren te zien.