Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

profiel

Chris Hazelebach


Chris Hazelebach
Bekijk mijn profiel

twitter

Mijn leerlingen als zwaartekrachtsgolven hetkind.org/?p=58717

Ongeveer 11 uur geleden op hetkind's Twitter via hetkind website

facebook
De kern van sportspel: Vreedzaam pesten! Zomaar een gedachtengang of een visie met pedagogische betekenis?

6 december 2016

Chris Hazelebach

Geplaatst in: Legitimering

Chris Hazelebach – leraar bewegingsonderwijs – gaat uit van de hypothese dat ‘pesten’ een niet te vermijden fenomeen in ons leven is. Dat je ermee zou kunnen leren omgaan. Want als je pesten in het domein van verdraagzaamheid (te verdragen) kan houden – en die vormen van pesten vind je terug in spel, sport, drama – dan leidt dat ertoe dat ‘pester’ en ‘gepesten’ elkaar verstaan, en daar geen schade van ondervinden. De schrijver noemt dit de kern van sportspel: ‘vreedzaam pesten’. Zomaar een gedachtengang of een visie met pedagogische betekenis?

Het artikel van Chris roept veel vragen op. Wat versta jij (of we) onder het begrip pesten, hoort het bij het leven, kun je verwachten dat mensen ermee leren omgaan? Hoe rekbaar is het begrip verdraagzaamheid? Kun je mee in zijn gedachtengang en biedt zijn visie voor jou perspectief? Laat het weten, aan Chris en onze redactie@hetkind.org

pesten03‘Er bestaat geen school waar niet gepest wordt, zoals er ook geen samenleving is waar pesten niet voorkomt,’ zegt Chris Hazelebach, leerkracht bewegingsonderwijs. In zijn zoektocht naar een visie op pesten, sluit hij het pesten niet uit, maar wil hij het fenomeen vooral hanteerbaar maken. Daartoe legt hij een relatie tussen pesten en sportspelen.  ‘In een sportspel is een goede speler degene die de tegenspeler zijn wil oplegt, dus eigenlijk een goede pester.’  Zijn verhaal.

We kennen allemaal het kaartspel ‘pesten’ waarbij je de ander een pestkaart kan geven die consequenties heeft, zoals ‘extra kaarten pakken’ of ‘een beurt overslaan’. Wanneer ouders dit voor het eerst met hun kinderen spelen en de ouder een pestkaart uitdeelt, is er soms ongeloof en woede bij het kind. De ouder pest het kind ‘om het pesten’. Volwassenen noemen dit een spelletje of een beetje plagen, maar die eerste keer voelt dit voor een kind als pesten, soms tot tranen toe.

Het meest invloedrijke boek dat over spel is geschreven is van Johan Huizinga, Homo ludens. Het begint met het spel van jonge honden die met elkaar ravotten (stoeien), elkaar achterna zitten, elkaar een beetje bijten. Hetzelfde soort gedrag zag onderzoekster Suzanne Kuik in een basisschoolklas toen ze daar vijf maanden lang als antropoloog observeerde. Ze noemde dat de één-minuut-ruzie, die de hele dag door plaatsvindt tussen alle kinderen, ook tussen vrienden. Het zijn kleine spelletjes tussen kinderen over bijvoorbeeld het wegpakken van een pen. Na een minuut is het spel/de ruzie over en zijn de kinderen het alweer vergeten. Noem het plagerijtjes die het schoolleven speels houden.

De overeenkomst tussen pesten, plagen en (sport)spelen is dat de een iets doet ten koste van de ander. Als de ander dat hinderlijke gedrag accepteert, dan noemen we dat plagen of spelen. Als de ander het vervelend vindt, dan heet het pesten. De reactie van de ander bepaalt of de initiatiefnemer een pester of een plager is. Pas in de dialoog tussen ‘machtige’ en ‘onmachtige’ zal blijken of het hinderlijke gedrag acceptabel was. Helaas ontstaat er vaak geen gesprek tussen beiden, maar een stil accepteren, (uit)gelach of een ruzie.

Bibi Schreuder schrijft dat het pesten kan veranderen als we erkennen dat het er is. Deze erkenning is makkelijker te accepteren als je pesten ziet als een vorm van spel. Spel is volgens Huizinga een essentieel cultuurelement en zal daarom altijd blijven. Het is de taak van het onderwijs om kinderen te introduceren in de huidige cultuur, dus om ze te leren spelen en te leren ‘pesten’. Maar het spel dient zo gespeeld te worden dat het pesten verbonden blijft met wat Huizinga noemt ‘gerechtigheid en genade’.

Huizinga schrijft: “Een druppel van medelijden is genoeg om onze handelingen boven de onderscheidingen van de denkende geest te verheffen.”

Deze gerechtigheid en genade is in spel vooral een gevoelskwestie. Een voetballer kan alleen het spel spelen als hij rekening houdt met zijn tegenspeler, ofwel: elke speler heeft een beetje “medelijden” met de tegenspeler.

kunstSpelen met een druppel medelijden

Hierdoor zit er in elk spel altijd een conflict opgesloten. Hans Achterhuis heeft daar in ‘De kunst van vreedzaam vechten’ het volgende over gezegd:

Een wereld zonder conflicten is niet alleen ondenkbaar, maar ook onwenselijk. Botsingen van tegenstrijdige belangen zijn een groot goed in een open samenleving. De vraag is alleen: hoe gaan we hiermee om en welke middelen zetten we in? Of anders gezegd: hoe gaan we krachtig het conflict aan en zorgen we er tegelijk voor dat het niet uit de hand loopt?

Elke weekend zijn er vele strijdende partijen waarbij het bij 99% van de wedstrijden toch vreedzaam afloopt. In een sportspel zijn heldere regels waar de meeste spelers zich aan houden, omdat anders het spel niet gespeeld kan worden. In het onderwijs zijn veel regels minder betekenisvol voor kinderen, waardoor bepaalde spel- en pestgedragingen vaker leiden tot onacceptabel verdriet bij de gepeste. Anti-pestprogramma’s op school proberen dit te voorkomen door het voorschrijven en verhelderen van regels. De vraag is of anti-pestprogramma’s voldoende ruimte geven om nog wel te blijven spelen en dus pesten?

Het omgaan met pesten
De meeste anti-pestprogramma’s zijn erop gericht om duidelijke regels op te stellen ter voorkoming van pestgedrag. De regels bepalen de speelruimte, maar regels voorkomen het pesten niet. Hoe meer regels, hoe groter de kans op regelovertreding. Het voorkomen van pestgedrag – zijnde het fenomeen – is waarschijnlijk een kansloze missie. De school is een open samenleving en daarom een natuurlijke bron voor conflicten. Het helpt niet als we van de school een gesloten afdeling maken, waarbinnen de kinderen precies doen wat de leiding wil. De kans is dan groot dat de pestneigingen buiten de school tot bloei komen en niet meer begeleid kunnen worden door pedagogen.

dikkeik001004006469968Voor jonge kinderen en pubers is pesten een spel waarbij ze nog niet zo goed weten wat goed en slecht is. Er zijn in dit pestspel te veel spanningen (tegenstrijdige belangen) waar ze rekening mee moeten houden: de regels van de school, de regels van de groep, de regels van de ouders, de regels van zichzelf. Teveel spanningen in een onafgebakend open speelveld. De kunst voor de docent is om de conflicten niet te vermijden, maar met de kinderen op zoek te gaan naar de druppel medelijden die elke pester zal ervaren. Het vinden van deze druppel medelijden is iets anders dan het naleven van regels. Het bespreekbaar maken van de kwetsbaarheid van de gepeste is dus een belangrijk middel om de problematiek rond pesten in beeld te brengen. Een andere weg verloopt via de pester. Om de positie van de pester beter te begrijpen is het boek ‘Voorbij het dikke ik’ van Harry Kunneman inzichtgevend. De pester wordt gekenmerkt door een sterke autonomie. Het gevaar van de autonome mens is door Kunneman ooit benoemd als het ‘dikke-ik’. Hij schrijft:

‘Het dikke-ik vormt een verontrustende uitvergroting van het autonome individu dat zich bevrijd heeft van alle vormen van moreel gezag en dat zich door niets en niemand nog wat laat opleggen. Maar voor postmoderne individuen die de opmars van het dikke-ik met lede ogen aanzien, is een terugkeer naar bindende normen en waarden en naar de bijbehorende verticale gezagsverhoudingen evenmin acceptabel.’

De pester is een ‘dikke ik’ die de verbinding met de anderen dreigt te verliezen. Kunneman komt met drie kapstokken om te zoeken naar nieuwe verbindingen tussen mensen: normatieve professionaliteit, co-creatie en maatschappelijk verantwoord organiseren. Deze driedeling lijkt op de drie doelgebieden die Gert Biesta het fundament vindt voor goed onderwijs: subjectivering (normatieve professionaliteit) en socialisering (co-creatie) en kwalificatie (maatschappelijk verantwoord organiseren).
Pedagogen en anti-pestprogramma’s richten zich vooral op de eerste twee doelgebieden om het probleem van pesten op te lossen. Individuele bewustwording van de gevolgen van pesten (subjectivering) en het gezamenlijk afspreken van gedragsregels (socialisering). Het derde doelgebied van Biesta en de derde kapstok van Kunneman: kwalificatie en maatschappelijk verantwoord organiseren krijgen weinig aandacht, terwijl daar de bron van het pesten is ontstaan, in de onderwijssystemen, de jaarklassen, de selectie.

Beoordelen is het begin van pesten

Deze derde bedoeling van het onderwijs, het kwalificeren van kinderen, heeft in de huidige praktijk een selecterende, destructieve gedaante gekregen. Elke docent moet leerlingen beoordelen over wat ze wel of niet weten of kunnen. Elke keer dat een leerkracht dus een onvoldoende geeft, krijgt een kind de pestkaart: doe het nog maar eens over. Kwalificatie is daardoor tot een wedstrijd tussen leerkracht en kinderen verworden, naast een onderlinge strijd: wie hoort bij de goede leerders en wie bij de slechte. Het onderwijs lijkt daarom op een sportspel, waarin spelen en pesten in elkaar overlopen.

Als de kwalificatiefunctie van onderwijs door veel kinderen ervaren wordt als een soort pesten, dan ligt daar mogelijk de bron van pesten op de scholen. Een veilig onderwijsklimaat zorgt ervoor dat het toetsen minder als pesten ervaren wordt. Als kwalificatie een wezenlijk onderdeel van onderwijs is en dat ‘beoordelen’ een vorm van pesten is, dan is het noodzakelijk om te onderzoeken of er een vakinhoudelijke doelstelling gevonden kan worden die de kans op pesten verkleint. Hieronder een poging om dit voor het leren van het spelen van een sportspel waar te maken.

pesten-phpDoel van het sportspelonderwijs

Wat verstaat het onderwijs onder goed leren deelnemen aan een sportspel? Is goed leren sportspelen: het perfect uitvoeren van een sporttechniek of het slim kiezen van een speloptie?

Het doel van het sportspelonderwijs is tegenwoordig niet meer het aanleren van de ideale eindvorm, bijvoorbeeld het volleybalspel 6 tegen 6. Deze spelvorm is wel geschikt voor sporters die elke week trainen, maar minder vaardige kinderen kunnen in zo’n spel niet tot beter leren bewegen komen, omdat ze of te weinig balcontacten krijgen of dat de spelacties te vaak mislukken. Hedendaagse sportspelmethodiek zoekt samen met de kinderen naar alternatieve spelvormen waarin iedereen op eigen wijze mee kan doen, bijvoorbeeld volleybal 3 tegen 4 met gedifferentieerde techniekregels. Hierdoor krijgen zwakkere spelers (de gepesten in het spel) meer kans om ‘terug te pesten’ of wel om ook succesvolle spelacties te ondernemen.

Vreedzaam leren pesten in een sportspel

Hiermee zijn niet nog niet alle nadelige gevolgen van verplicht sportspelonderwijs opgelost. Want de betere speler (de pester) is dan nog niet geholpen. Op welke wijze kan het sportspelonderwijs de goede speler helpen om meer inzicht te krijgen in wat die de zwakke tegenspeler aan doet? Hoe leren we de goede speler om inzicht te krijgen in de druppel medelijden voor de tegenspeler bij het inzetten van een schijnbeweging? Hebben we als gymnastiekers niet de maatschappelijke verantwoordelijkheid om het sportspelonderwijs zo te organiseren dat de betere speler (de pester) leert rekening te houden met de zwakkere tegenspeler (gepeste)?

Hier ligt een grote kans voor het onderwijs om iets nieuws toe te voegen aan de sportcultuur. We kunnen de goede spelers leren om bij een zwakke tegenspeler meer risico’s te nemen in een spelactie (schijnbeweging), waardoor de tegenspeler meer kans krijgt om de bal af te pakken. Een goede speler kan een zwakke tegenspeler meer ruimte geven om de bal te ontvangen, waardoor die meer kans heeft voor een goede vervolgactie. Hoe meer kansen de tegenspeler krijgt, hoe moeilijker het spel voor de andere speler wordt. Zo creëert een goede speler zijn eigen weerstand, waardoor die zelf ook weer anders (beter) moet gaan spelen. Eigenlijk leert de betere speler zichzelf te pesten.

Het hoogste niveau van spelen in het onderwijs wordt daardoor anders dan in de sport. De beste speler durft in het onderwijs meer risico’s te nemen, waardoor ook de tegenspeler beter kan worden. Sportspelonderwijs waarin de speler die het voor zichzelf moeilijker durft te maken de hoogste waardering krijgt (cijfer), hanteert dan een meer pedagogisch beoordelingssysteem dan de sportcultuur. Kwalificering, subjectivering en socialisering, de drie doelgebieden van het onderwijs kunnen dan elkaar blijvend ondersteunen.

Dit is een bewerking van het artikel ‘Vreedzaam pesten: spelen met een druppel medelijden’ dat eerder op de website van de KVLO (Koninklijke Vereniging voor Lichamelijke Opvoeding) is verschenen. www.kvlo.nl

=

Literatuur

  • Achterhuis, H. en Koning, N. (2014) De kunst van vreedzaam vechten
  • Biesta, G. (2015) Het prachtige risico van onderwijs
  • Kuik, S. Mag ik op je rug? (1996) (van de kinderen en hun dagen met vriendschap en ruzie)
  • Doodewaard, van C. e.a. (juni 2016) MRT in perspectief, remediërend bewegingsonderwijs
  • Elias, N. en Dunning, E. (2007) Sport en spanning
  • Huizinga, J. (1938) Homo ludens (geïllustreerde uitgave uit 2010)
  • Kunneman, H (2005) Voorbij het dikke-ik
  • Pols, W. (2016) In de wereld komen
  • Schreuder, B. – Dank aan alle pesters (artikel zie www.hellingerinstituut.nl)

Mogelijke vragen, reacties en verhalen:

Het artikel van Chris roept veel vragen op. Wat versta jij (of we) onder het begrip pesten, hoort het bij het leven, kun je verwachten dat mensen ermee leren omgaan? Hoe rekbaar is het begrip verdraagzaamheid? Kun je mee in zijn gedachtengang en biedt zijn visie voor jou perspectief? Laat het weten, aan Chris (chris.hazelebach@kvlo.nl) en/of onze redactie@hetkind.org

 

Om u beter van dienst te zijn, maakt hetkind.org gebruik van cookies » Meer informatie