profiel

Karin Donkers


Karin Donkers
Bekijk mijn profiel

twitter

De angst en onzekerheid die horen bij het volwassen worden hetkind.org/?p=61627

Ongeveer 4 uur geleden op hetkind's Twitter via hetkind website

facebook
Hij kan veel, maar niet wat we van hem vragen

12 februari 2017

Karin Donkers

‘Waarom noemen ze het dan een knol? Als ze aardappel hadden gezegd, had ik het wel geweten.’ Karin Donkers heeft Brett apart genomen om samen de cito-toets voor groep 3 te maken. Brett is een jongetje dat snel wegdroomt en het tempo moeilijk kan bijbenen, maar dat tegelijkertijd ook een brede belangstelling heeft. De woorden die hij moet spellen, kent hij vaak niet, en als Karin samen met hem gaat googlen naar plaatjes van de woorden, realiseert ze zich dat de toetsmakers er niet in geslaagd zijn om woorden te bedenken voor de toets die voor dit kind betekenisvol zijn. ‘Wat heeft hij nu geleerd en wat hebben we nu eigenlijk getoetst?’

Achter in de klas zit een jongetje met zijn rug naar de groep gedraaid, een koptelefoon op zijn hoofd en een wiebelkussen op de zitting van zijn stoeltje. Hij kijkt niet om als ik de groep binnenkom maar slaat rustig zijn blad van zijn leesboek om. De andere leerlingen zitten allemaal separaat aan een tafeltje met een toetsboekje voor zich op en een potlood in hun hand. Het is toetsweek in groep 3 en ze zitten klaar voor de ‘start’.

Ik loop tussen de tafeltjes door en tik Brett zachtjes op zijn schouder.
‘Ga je mee Brett, dan gaan we samen kijken of we deze toets kunnen maken?’
Met een glimlach op zijn gezicht staat hij op en loopt hij met me mee.
‘Moet jij ook een toets maken dan?’
Ik kijk hem aan en zeg:’ Heeft juf je verteld dat  ik de woordjes ga voorlezen en dat jij ze hardop mag ‘hakken’ en dan in dit mooie boekje op mag schrijven? ‘
Hij knikt met zijn hoofd en samen lopen we mijn kantoor in.

Brett een jongetje dat het tempo van de groep niet bij kan houden, regelmatig wegdroomt en een hele brede belangstelling en interesse heeft. Deze interesses hebben echter weinig met de dingen te maken die tijdens de toetsweken aan de orde komen. Stil zitten, allemaal op hetzelfde moment een antwoord opschrijven en je focussen op je werk is voor hem niet weggelegd. Hij ziet op het schoolplein van alles gebeuren, raakt in de war als medeleerlingen al wat hebben opgeschreven en hij niet en de ‘stilte’ tijdens zo’n toets lijkt voor hem onmogelijk. Hij leeft na schooltijd een buitenleven. Hutten bouwen, vissen, vuilnis ophalen met zijn skelter en afleveren bij de containers naast de plaatselijke Lidl supermarkt, vullen zijn naschoolse uurtjes en vrije dagen.

‘Vanochtend hebben we een vissenkop gevonden. Die gaan we straks ophalen. Na school met een paar anderen. We gaan hem laten zien aan iedereen. Sommige kinderen vinden dat eng, ik niet. Jij wel? Ik kom hem ook wel even aan jou laten zien. Kom ik gewoon terug, even door de deur.’
Hij kijkt me vragend aan.
‘Een vissenkop? Nou ik vind dat ook een beetje eng en vies. Ga je dat niet met je blote handen doen want je weet nooit of de vis ziek was?’
‘Nee we hebben werkhandschoenen, die gebruiken we ook voor de vuilnis.’
Gerustgesteld kijk ik hem aan en vertel ik hem dat we straks nog even verder praten, maar dat we nu toch echt samen aan het werk moeten. Hij vraagt of het veel is, of het lang duurt en of hij dat wel gaat redden. Ik stel hem gerust en zeg dat het samen vast gaat lukken. We kijken naar het plaatje en ik lees het woord hardop. Hij mag het woord ‘hakken’ en dan opschrijven in het boekje naast het plaatje dat het woord moet voorstellen.

De eerste woorden gaan zonder geluid. Zijn potloodpunt lijkt elke keer een soort landing te maken tussen de lijnen om vervolgens hortend en stotend de letters op papier te zetten.
‘Bron. Schrijf op bron.’
Hij legt zijn potlood neer en kijkt me aan. ‘B.r.o.n  bron. Wat is dat een bron?
Ik probeer hem in mijn eigen woorden uit te leggen wat het is maar het komt niet aan. ‘Schrijf het maar op. Als we straks klaar zijn gaan we het samen opzoeken op mijn laptop.’
We vorderen gestaag maar al snel stuiten we op het volgende woord dat hij niet kent.
Hij wijst op het plaatje en zegt: ‘Radijs.’ Hij wil al starten met schrijven, maar ik kijk op de woordenlijst en zeg: ‘Nee hoor hier staat knol. Schrijf op knol.’
‘Wat is dat een knol?’
Ook nu doe ik een poging, maar zie dat hij zich nog niet echt een voorstelling kan maken. Ik begin me wat ongemakkelijk te voelen. Niet vanwege zijn vragen maar omdat wij als volwassenen, de toetsmakers, blijkbaar niet in staat zijn om woorden te gebruiken waar kinderen de betekenis goed van kennen of in ieder geval makkelijk uit te leggen zijn.
En daar komt er weer één: ‘Graaf. Schrijf op: graaf.’
Braaf begint Brett het woord te hakken g.r.aa.f. Meteen volgt de vraag: ‘Wat is dat eigenlijk?’

We worstelen samen de toets verder door en hoe langer het duurt hoe groter mijn ergernis. Als we de woorden eindelijk allemaal hebben gehad, ben ik eigenlijk heel verrast over de leergierigheid van dit jongetje. Hij wil alles weten en durft vragen te stellen. Hoe moeilijk hij het ook vindt om zich te concentreren, stil te zitten en de juiste letters op papier te zetten. Zijn nieuwsgierigheid zal hem helpen om op den duur toch zijn talenten te vinden. Ik ben zo’n driekwartier bezig om hem een spellingstoets te laten maken in een één op één setting. En dan is dit natuurlijk niet de enige toets de komende weken. Hoe kan een leerkracht dit naast de begeleiding van andere leerlingen voor elkaar krijgen? Brett is zeker niet het enige kind met een ‘handleiding’. Een kind dat net even een andere aanpak vraagt.
Hij kan het wel, maar niet in de klas.
Hij kan het wel, maar niet zonder praten.
Hij kan het wel maar niet zonder bewegen.
Hij kan heel veel maar niet wat we van hem vragen.

Samen typen we de woorden bron, graaf en knol in bij Google op mijn MacBook. We zoeken naar een filmpje, een afbeelding of een beschrijving die meer duiding geven aan de woorden. De zoekterm ‘graaf’ geeft vooral schilderijen.
‘Oh joh’, zegt Brett. ‘Dat is zo’n rijke man uit de middeleeuwen. Heeft Vincent van Gogh die geschilderd?’
De zoekterm ‘bron’ levert nauwelijks voor kinderen aansprekend materiaal en het woord knol verwijst naar een aardappel.
‘Waarom noemen ze het dan een knol? Als ze aardappel hadden gezegd, had ik het wel geweten.’
‘Ja Brett, waarom doen we dat eigenlijk. Ik zou het ook weleens willen weten. Misschien om aardappel nog een te moeilijk woord is om te schrijven?’
‘Nah, er zijn gerust wel korte makkelijke woorden.’ zucht Brett.

Hij loopt trots met zijn toetsboekje terug naar de klas en bij de deur draait hij zich om en zwaait naar me. Op naar de volgende uitdaging.
Wat heeft hij nu geleerd en wat hebben we nu eigenlijk getoetst?

Karin Donkers blogt regelmatig over haar onderwijspraktijk op haar eigen blog en binnen het collectief Onderwijswijven. Ze was schoolleider op de Cocon in Alkmaar, een school voor ontwikkelingsgericht onderwijs (OGO) en werkt nu als interim schoolleider.

 

Om u beter van dienst te zijn, maakt hetkind.org gebruik van cookies » Meer informatie