Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

profiel

Annonay Andersson


Annonay Andersson
Bekijk mijn profiel

twitter

Een schone taak: ‘waarheden’ steeds opnieuw wegen en overdenken hetkind.org/2017/07/23/sch…

Ongeveer 5 uur geleden op hetkind's Twitter via Echofon

facebook
Arnold Jonk over gelijke kansen: ‘Als iedereen naar dezelfde school zou gaan, zouden ze nog niet allemaal dezelfde kansen hebben’

10 juni 2017

Annonay Andersson

‘Onlangs zou ik gaan spreken op een school, maar kreeg ik later de melding dat ik niet hoefde te komen, want ze hadden gekozen voor een “inspirerende” spreker. Dus dat ik nu als reserve in mag vallen, is voor mij al een hele verbetering.’ Arnold Jonk was 10 mei j.l. in theater Maitland in Driebergen om een Onderwijsavond te verzorgen. Hij sprak daar over kansen(on)gelijkheid: wat de oorzaken daarvan (lijken) te zijn, de consequenties én hoe we iedereen (meer) gelijke kansen kunnen bieden. Hier een inhoudelijke samenvatting van de avond.

De hele avond terugzien? Dat kan hier. 

Oorspronkelijk zou Sietske Waslander komen, maar vanwege persoonlijke omstandigheden was dat niet mogelijk. Jonk vond dat naar eigen zeggen dus niet erg en stapte enthousiast het podium op.

Begrip gelijke kansen

Als het gaat over gelijke kansen, wat bedoelen we dan precies?

‘Wanneer sommige mensen de 100 meter moeten rennen met zandzakken aan hun voeten, maakt het feit dat iedereen op hetzelfde moment start de race nog niet eerlijk’ – Ha-Joon Chang

‘Als het regent in de samenleving, giet het in de school’ – Kees Schuyt.

Als iedereen naar dezelfde school gaat, krijgen ze nog niet dezelfde kansen, wil Jonk hier maar mee zeggen. Onderzoek van PISA/OECD liet zien dat de ongelijkheid in het onderwijs is toegenomen. Met andere woorden: ‘Kinderen profiteren van het opleidingsniveau van hun ouders.’ Kinderen van hoogopgeleide ouders hebben meer kansen en kinderen van laagopgeleide kinderen minder kansen. Met die kansen wordt in dit geval vooral de adviezen aan het einde van de basisschool bedoeld. Leerlingen die dezelfde score op de eindtoets halen, krijgen steeds meer uiteenlopende adviezen.

Jonk vatte de tendensen zo samen:

  • De ongelijkheid van kansen is groot
  • De ongelijkheid nam af, maar neemt momenteel weer flink toe
  • Het zijn vooral de kinderen van lager opgeleide ouders die “wegzakken”
  • Effecten ontstaan gedurende de hele schoolloopbaan
  • Etniciteit speelt een vrij grote rol, vooral bij het vinden van stages en een baan

De Onderwijsinspecteur heeft gemerkt dat het onderwerp gelijke kansen veel oproept in het onderwijsveld. Hieronder een aantal zaken die hem in deze gesprekken opgevallen zijn.

Er is een gretigheid om het over het onderwerp gelijke kansen te hebben, een grote behoefte in het veld hieraan

Toen Jonk met een buitenlandse hoogleraar sociologie sprak, verbaasde deze zich erover dat het niet natuurlijker is in het Nederlandse publieke debat om het over het kansenvraagstuk te hebben. Na de meest recente onderzoeken hierover, is die verlegenheid om het hier over te hebben in ieder geval weg en blijkt dat we wel degelijk urgentie voelen.

Jonk merkt dat het een goed onderwerp is om met elkaar in gesprek over te zijn, omdat het de basismotivatie van docenten, schoolleiders en bestuurders raakt.

Er is sprake van ontoereikende taal

Is hoger soms beter?
Veel mensen ageren hiertegen en vinden het jammer dat onderwijsongelijkheid gelijkgesteld wordt met lager of hoger onderwijs. Deugt vmbo dan niet? Moet iedereen maar naar de universiteit? Jonk ziet dat de taal daarin meedoet: ‘hoog’ versus ‘laagopgeleid’. Hij vindt iemand die naar het vwo gaat niet beter dan anderen en benadrukt dat we ons gelukkig mogen prijzen met de goede kwaliteit van ons mbo. Tegelijkertijd suggereren we met statistieken over ongelijke kansen die in verhouding staan tot opleidingsniveaus, dat het een meer waard is dan het ander.

Tegelijkertijd wil Jonk het ook niet te veel relativeren; hij wil niet zeggen dat alles maar evenveel ‘waard’ is. Het zijn namelijk vooral hoopopgeleide mensen die zeggen dat je er niet zoveel waarde aan moet hechten, die opleidingsniveaus en –verschillen. Vaak gaan hun eigen kinderen naar het vwo, dus dan praten ze in feite over andermans kinderen. Die discussie gaat dus ook over machtsverhoudingen in de samenleving. Als je als hoogopgeleide sceptisch bent over de VVE (voorschoolse- en vroegschoolse educatie) en het allemaal te gericht vindt op prestaties, dan heeft dat er ook mee te maken dat het gaat over andermans kinderen. Diezelfde ouder zal niet snel het nut van de bijlessen of examentrainingen voor zijn/haar kind in twijfel trekken, terwijl dat ook het kansenvraagstuk aangaat, omdat dat de eigen kinderen aangaat.

De Onderwijsinspecteur hoopt dat een kinds onderwijspad wordt gevormd door de eigen talenten en wensen, en niet door diens achtergrond. Het moet gaan om het individu en niet diens ouders of groep waartoe die zou behoren. Soms krijgt Jonk in dit soort discussies het verwijt dat hij het vwo dan misschien onbelangrijk vindt. Dat vindt hij niet, maar

Er is een enorme ambivalentie als het gaat om de rol van het onderwijs in de samenleving

Wen er maar aan: onderwijs wordt steeds belangrijker
Op een bepaalde manier willen leraren onderwijs soms graag beperken tot de individuele relaties met de kinderen in hun klas of met hun groep. De samenleving vinden ze daar soms buiten staan. Tegelijkertijd staat er vanaf buiten het onderwijs een steeds grotere druk op de resultaten van de leerlingen en krijgen die resultaten een steeds grotere impact. Er gaat geen week voorbij waarin iemand bedenkt wat er in het onderwijs moet worden aangekaart. De aanspraak op de school wordt steeds groter.

Docenten vinden het heel normaal dat ze heel belangrijk zijn. Maar de consequentie daarvan is dat mensen dingen van je willen, dat hoort er dan bij. Maar dat vinden ze nou ook weer niet de bedoeling, merkt Jonk. Tussen die twee polen gaat het vaak heen en weer.

Belang = bemoeienis
De prijs die mensen betalen van hun belang is, is dat andere mensen zich daarmee gaan bemoeien. De leraar is heel relevant en daarom ‘willen’ mensen iets van hem of haar. Onderwijs is dus heel veel tegelijk: het is zowel iets heel kleins als iets heel groots. Jonk meent dat onderwijs moet accepteren hoe belangrijk het is en dat daar dus heel veel bemoeienis bij hoort. Die twee zijn onvermijdelijk met elkaar verbonden.

‘Education is the most powerful weapon which you can use to change the world’– Nelson Mandela. Jonk ziet dat dit citaat veel bijval vindt en vindt dat grappig. Want als je dit meent, gaan mensen er ook iets van vinden, van onderwijs.

We hebben allemaal moeite met onze feilbaarheid

Als Jonk vertelt over de toegenomen ongelijkheid in het onderwijs, krijgt hij als reactie van leerkrachten vaak: ‘Maar dat komt door jullie!’

‘Ik vind het heel lastig – ook als inspecteur – te accepteren dat je onderdeel van het probleem bent. Dat wil je nou net niet. Ik denk dat het helemaal niet gek is als mens om vooroordelen te hebben, feilbaar te zijn. Dat overkomt ons allemaal. Dat doen we niet automatisch goed’, licht hij toe. Het is voor de Onderwijsinspectie en voor leraren niet altijd makkelijk om toe te geven dat we allemaal fouten maken, maar feit is wel dat we allemaal hierin betrokken zijn.

Als Jonk en zijn collega’s vertellen dat het steeds meer uitmaakt wie je ouders zijn in relatie tot welk onderwijsadvies je krijgt, reageren leraren daar geprikkeld op: ‘Wij kijken goed naar kinderen!’, is de reactie. Ze lijken het idee niet toe te willen laten, dat ook met alle goede bedoelingen, zij weleens een vooroordeel hebben of dingen niet goed zien. Leraren voelen zich veroordeeld en komen in een defensieve houding. ‘Soms heb je ook gewoon harde data nodig om te laten zien dat mensen onderdeel zijn van dit vraagstuk. Dat kost veel tijd en dat weet ik. Dat is bij ons ook zo; het kost tijd voordat je kan accepteren dat je het op sommige onderdelen anders moet doen.’

De (foute) aanname dat we moeten denken in keuzes: denken in trade-offs

En/en is de realiteit
Vaak wordt er impliciet aangenomen dat je in het onderwijs alleen keuzes maakt voor wat je belangrijk vindt en dat als je niet goed doet er dus wel iets anders is wat je wel goed doet. De Onderwijsinspecteur noemt dit ‘denken in trade-offs.’ Alsof je alleen je aandacht kan verplaatsen en dat als je aandacht geeft aan het ene, dat dat automatisch ten koste gaat van het ander. ‘Data laten zien dat die keuzes er helemaal niet zijn’, aldus Jonk.

De Onderwijsinspectie krijgt bijvoorbeeld vaak het verwijt dat ze te veel kijken naar de cognitieve ontwikkeling van kinderen. De ervaring van Jonk is dat dat niet klopt, dus dat scholen die goed zijn in het ontwikkelen van cognitieve vaardigheden, óók goed zijn in het ontwikkelen van de sociale vaardigheden.

Excellentie óf kansengelijkheid
Hetzelfde geldt voor excellentie versus gelijke kansen, voegt Jonk toe. Veel mensen denken dat gelijke kansen betekent dat alle kinderen een bepaald minimumniveau halen op school, wat nu gehaald wordt in Nederland. Maar het gaat ook om de potentie eruit te halen die erin zit, dat is ook kansengelijkheid. En daar schieten we nu tekort, zien we leerlingen over het hoofd die meer kunnen. Het slechtse wat we kunnen doen in dit vraagstuk, is het reduceren tot een uitvalsvraagstuk. Dus genoegen nemen met dat kinderen in het onderwijs zitten. Maar dan hebben ze nog geen gelijke kans gehad.

Scholen die een gelijksoortige leerlingenpopulatie hebben, laten vaak enorme verschillen zien in wat ze voor elkaar krijgen, op wat voor domein dan ook. Dat noemt Jonk een verschil in ‘ambachtelijkheid’. Denken in trade-offs impliceert tenslotte ook externe attributie. Dan denk je dat leerlingen bepaalde dingen wel of niet kunnen, dat het het een of het ander is.

Onderwijsprofessionals voelen geen taboes in het nadenken over het schoolsysteem

Arnold Jonk merkt dat als hij met professionals uit het onderwijs praat, er geen taboe-onderwerpen zijn. Men durft het te hebben over het schoolsysteem, met name over de te vroege selectie in niveaus. Hij merkt een enorme ‘mentale ruimte’ om het te hebben over hoe het in het onderwijs gaat en hoe we ons stelsel eigenlijk hebben ingericht.

Project kind
Als het over taboes gaat, vraagt een toeschouwer uit het publiek zich af wat de rol is van ouders die de druk op hun kind erg opvoeren om goed te presteren. Jonk vertelt dat de Onderwijsinspectie in kaart brengt wat de consequenties zijn van wat er nu gebeurt. Om die resultaten goed te begrijpen, is het natuurlijk belangrijk het proces daaraan voorafgaand te begrijpen.

‘Project kind’ noemt Micha de Winter het als ouders heel erg bezig zijn met het ‘succes’ van hun kind. Hij schrijft daar mooi over, vindt Jonk. Een project wat eigenlijk niet mag ‘mislukken.’ Als het dreigt ‘mis’ te gaan, gaan deze ouders ook op zoek naar een oplossing. Het levert kinderen dingen op, maar kent ook schaduwkanten (de stress onder kinderen loopt op). De uitkomst ervan is wel dat er verschillen ontstaan die op een leven van betekenis kunnen zijn.

Vraagstuk dyslexie
Jonk wil daar niet moraliserend over doen, want iedereen wil het beste voor zijn of haar kind, maar hij wil graag een interessant voorbeeld geven hiervan: het vraagstuk dyslexie. Volgens (taal)wetenschappers zou men kunnen verwachten dat ongeveer 4% van de kinderen in Nederland dyslexie heeft. Toch ligt het landelijk gemiddelde op 7-8%. In kranten wordt dan dus gesproken over ‘over-diagnosticering.’ Maar als je dieper naar die cijfers kijkt, dan blijkt dat 10% van de kinderen van hoogopgeleide ouders die diagnose heeft en maar 2% van kinderen met allochtone ouders. In die laatste groep zitten dus kinderen waarvan eerder wordt aangenomen dat deze ‘gewoon dom’ zijn, terwijl daar misschien een diagnose onder ligt die dat kind had kunnen helpen. ‘We hebben de neiging te kijken naar het over-diagnosticeringsstuk, maar het andere deel niet.’

Onderzoek laat daarnaast ook zien dat er nog nooit zoveel is voorgelezen aan kinderen als nu. ‘Ik doe dat zelf ook, tot vervelends aan toe’, zegt de inspecteur. Dat heeft ermee te maken dat ouders overal lezen dat dat goed is, maar de verschillen in voorleestijd lopen nu dus op. ‘We gaan van ouders dus niet vragen om op te houden met voorlezen, dat vind ik een rare reflex. Maar we gaan ons afvragen hoe we mensen beter kunnen ondersteunen.’ Als voorbeeld noemt Jonk een school in Utrecht waar hij onlangs was, werd ouders ‘geleerd’ hoe ze goed konden gaan voorlezen aan hun kind.

Per saldo hoopvol beeld
Na een jaar praten over kansen, is Jonk heel hoopvol over de ontwikkeling van het Nederlandse onderwijssysteem. Het zou scholen baten om steeds terug te keren naar het gesprek waar het hen om te doen is.

De relatie met vernieuwing van het toezicht

‘Denk zelf na over wat jouw populatie is en welke doelen je daarmee wilt bereiken’. Dat moet vooropstaan, aldus Jonk: wat je wil en hoe je dat wilt doen. En dat laten zien aan de Onderwijsinspectie. Er vindt dus een verschuiving plaats waarin scholen worden uitgedaagd hun eigen ambities te formuleren en waar te maken. Om ambities te hebben die passen bij, en relevant zijn voor de eigen leerling-populatie. Dat veronderstelt assertieve scholen.

De hoop van de Onderwijsinspecteur is dat scholen de toenemende rol van onderwijs gaan accepteren. Scholen mogen als gevolg daarvan natuurlijk open en assertief zijn naar hun omgeving in wat zij nodig hebben om hun rol te spelen. Als het gaat om het kansenvraagstuk, vindt Jonk dat we van onze gêne af moeten om dat aan te kaarten, dus hij moedigt onderwijsprofessionals aan om onbevreesd het lastige gesprek te voeren.

Tweets op de avond zelf

Om u beter van dienst te zijn, maakt hetkind.org gebruik van cookies » Meer informatie