profiel

Rob van der Poel


robvanderpoel
Bekijk mijn profiel

twitter

‘Een parel uit Afghanistan: binnen ’n jaar haar MBO 1-diploma’ hetkind.org/?p=55610

Ongeveer 2 uur geleden op hetkind's Twitter via hetkind website

facebook
Negen vragen aan Elly Singer

14 juli 2017

robvanderpoel

Geplaatst in: Opvoeding, Legitimering

‘Spel is ten principale van binnenuit gemotiveerd.’ Dr. Elly Singer is ontwikkelingspsycholoog en senior onderzoeker en verwierf internationaal erkenning vanwege haar observatiestudies in natuurlijke situaties en interviewstudies waarin kinderen verwoorden wat ze willen, denken en voelen. In de kinderopvang is het werkwoord ‘singeren’ gemeengoed geworden, als verwijzing naar een verantwoorde manier van omgaan – en spelen – met kinderen. Rob van der Poel interviewde haar voor ons vijfde magazine getiteld SPeEL-ruimte.

Wat is spel, wanneer spreken we van spelen?
Daar is geen eenduidige definitie voor. Maar iedereen wéét als het spelen is. Intuïtief. Als
ik probeer bij theoretici aan te sluiten, volg ik vooral onze eigen Johan Huizinga en zijn Homo Ludens. Een boek uit de dertiger jaren van de vorige eeuw, dat nu weer volop in de belangstel- ling staat. Door de gamesoftware-industrie is er behoefte aan speltheorieën en Huizinga blijkt in die behoefte te voorzien.

Huizinga zegt: spel is vrij, er moet niets. Die vrijheid is exemplarisch voor spelbeleving. Natuurlijk, je kunt aan spel allerlei functies toeschrijven: je kunt er iets door leren, je krijgt er energie van, het is een vorm van communi- catie… Maar daarvoor speel je niet. Kinderen spelen omdat het plezier geeft, de lust tot spe- len komt van binnenuit. Tweejarigen zie je vaak achter elkaar rondjes rennen, door de kamer, op de speelplaats. Hierdoor oefenen ze hun moto-riek. Maar daarom doen ze het niet. Ze vinden het leuk en opwindend.

Wat gebeurt er als een mens speelt?
Je kunt door spel de wereld als het ware naar je hand zetten. Kinderen spelen graag dat ze groot en sterk zijn: ze zijn tijger, Bob de Bouwer of griezelheks. Ze kunnen ook enge dingen oefenen. Dat begint al heel erg jong. Denk maar aan het plezier dat baby’s beleven aan kiekeboe. Mamma of pappa is even weg, en ja, daar is ze weer. Door samen te spelen ontstaat ook het gevoel van gezamenlijkheid. Denk maar weer aan baby’s: de eerste communicatie tussen baby en ouder heeft het karakter van spel. Ze maken om beurten geluidjes, maken oogcontact, trekken gezichten. Het gaat nergens over. Het gaat alleen om het plezier van elkaar begrijpen, wederkerigheid, samen spelen. Samen spelen – dollen, stoeien, zingen, dansen – roept ook bij volwassenen gevoel van samen op. Spelen verbindt.

Dus met spelen maak je een gezamenlijke speelwereld?
Spelen biedt je de mogelijkheid om betekenis te verlenen aan de werkelijkheid, om gevoelens, dromen, angsten en waarden vorm te geven. In spel creëren we een ‘speelwereld’ door middel van spelregels, een ‘doen-alsof’ wereld waarin de ‘echte wereld’ even opzij wordt gezet. Dat is ook de kern van Huizinga’s werk, mijns inziens. Hij spreekt van de Homo Ludens, de speelse/spe- lende mens, en stelt dat zonder spel de samenleving de-humaniseert, ontmenselijkt. In mijn woorden: zonder spel mis je de mogelijkheid om als mens betekenis te geven aan ervaringen, om met de werkelijkheid te spelen. Het biedt geestelijke vrijheid.

Het kinderspel, het symbolische spel, is volgens Vygotsky een eerste uiting van de vrije wil en zelfsturing. Daarmee bedoelt hij dat kinderen in ‘doen-alsofspel’ zich niet laten bepalen door hun impulsen en externe prikkels, maar zichzelf sturen met behulp van hun ideeën over ‘vader’, ‘moeder’, ‘baby’. Ze handelen vanuit ideeën over rollen, scripts en schema’s van de werkelijkheid. Volgens Vygotsky is dat ook een vroege vorm van abstract denken. Door abstract denken kun je de wereld vanuit verschillende perspectieven bekijken, je kunt met de wereld spelen. Dat is een typisch menselijke vaardigheid. Als we niet kunnen of mogen spelen, verdwijnt de keuze, de vrije wil, onze wendbaarheid. We worden dan bepaald door het lot of de overmacht van anderen Dat is wat Huizinga bedoelt, dat de mens dan de-humaniseert.

Door het spel wordt het leven dus leefbaar?
Ja, je ziet dat aan de grote, moeilijke dingen in het leven die onontkoombaar zijn – zoals dood en afscheid. Dan maken mensen van alle culturen rituelen, om toch betekenis te verlenen aan iets waar ze geen enkele greep op hebben. Dat is mens-eigen, het zijn allemaal spelvormen waarin je op een dieper niveau gezamenlijkheid creëert. Daarom maken we ook regels in elk spel. Met reglementen breng je ritme aan, patronen en structuren. In de muziek, in de dans. Belangrijk is dat deze regels geen keurslijf worden, want dan verdwijnt het spelelement, de mogelijkheid om in vrijheid subjectieve belevingen vorm te geven.

En als je dat vertaalt naar onderwijs?
Daar wordt gesproken over spelend leren. Leerkrachten proberen – terecht – gebruik te maken van de natuurlijke neiging van kinderen om spelenderwijs te ontdekken en experimenteren. Met klanken, gekke woorden, rollen, zwaartekracht, materialen, met alles in de wereld om hen heen. Maar vanuit de optiek van de leerkracht dient het spel, de spelvorm, ook om een bepaald leerdoel te bereiken, het moet leerzaam spel zijn. Dat kan wringen. Als het spel dat de leerkracht bedenkt schools wordt, verdwijnt het plezier en verdwijnt ook de belangstelling van de kinderen. Ze moeten dan van alles en verliezen hun speelruimte.

Maar spel is ten principale van binnenuit gemotiveerd. Spelen op school is niet alleen belangrijk vanwege het leren. Ook op school creëert spel gezamenlijkheid. En dat is ook heel belangrijk. Denk aan alle situaties waarin de kinderen iets moeten, bij het naar buiten gaan, opruimen, in de kring naar elkaar luisteren. Een leerkracht die discipline verbindt met een speelse omgang met de kinderen maakt een wereld van verschil. Bijvoorbeeld peuters of kleuters die geholpen moeten worden bij het aankleden als ze naar buiten gaan. Dat kan de leerkracht instrumenteel aanpakken, alsof het kind een pakketje is, ‘arm omhoog, schoen naar voren’. Dan zie je het kind als niet meer dan een object dat je aankleedt. Dat roept weerstand op. Maar als je al doende ook grapjes maakt samen met het kind, ‘Hé, waar is die arm gebleven…?’ dan speel je samen en werk je samen. Juist in die discipline situaties, in de dingen die moeten, is die speelse houding zo belangrijk.

Hoe creëer je die gezamenlijkheid, die speelse attitude?
Via een heel positieve, vrolijke, constructieve houding naar kinderen, naar jezelf en naar de wereld. Door ruimte te bieden om ervaringen te delen. Leraren voelen zich onder druk staan, moeten te veel oppakken dat van buiten wordt opgelegd, hebben met ouders te maken die vaak iets van ze willen. Dat werkt negatief. Daarom is die veilige speelruimte voor de leerkracht ook zo belangrijk. Een speelruimte die directeuren en schoolleiders kunnen bieden, die ze elkaar kunnen bieden, die ze kinderen kunnen bieden. Je kunt pas speels (met kinderen) zijn als je fouten mag maken. En als je om jezelf in een situatie kunt lachen. Zoiets als ‘Ik had iets voor vandaag bedacht en die kinderen deden volstrekt wat anders. Mijn les ging helemaal de mist in.’ Ontwikkeling en onderwijs hebben nu eenmaal een hoge mate van onvoorspelbaarheid. Je moet kunnen kijken naar wat er is, wat er gebeurt.

En dan is er een werkwoord, gebaseerd op uw aanpak: singeren. Wat verstaan mensen daaronder?
Dat je er gewoon bént voor het kind. Dat het kind rustig kan spelen, dat je geduld en aandacht hebt. Dat kinderen ervaringen met jou kunnen delen. Dat lijkt gemakkelijk. Maar als je met kinderen in een groep werkt, valt dat vaak niet mee. Bovendien zitten leerkrachten vooral in hun eigen hoofd met wat er allemaal moet, en zou moeten gebeuren.

Singeren is rustig zitten en kijken en nog eens kijken en dan ontdekken: ooohh, dat kind is daarmee bezig. Het is echt wonderlijk hoe kinderen spelenderwijs de wereld ontdekken, hoe ze dat doen, op alle leeftijden. Kinderen zijn voortdurend bezig ervaringen te ordenen, schema’s te maken. Zelfs baby’s. Die zijn eigenlijk al bezig met meetkunde. Erin en eruit, erboven en eronder. Ze leren op handelingsniveau om de ruimte te ordenen. Allemaal spelletjes, dingen in rijtjes leggen, groepjes maken, coördineren van voorwerpen in de ruimte, om de wereld te leren kennen, te ordenen. Door het singeren kan de leerkracht zich verbinden met wat de kinderen bezighoudt. De leerkracht heeft tot taak de wereld voor het kind toegankelijk te maken. Als je snapt waarmee een kind bezig is, vinden de kinderen het ook fijn als je ze een stapje verder helpt in hun zoektocht.

En wat zie je in de praktijk?
Sensitief reageren op kinderen moet je in een groep anders organiseren dan thuis. Als de leer- kracht in de groep op ieder kind afgaat dat hulp nodig lijkt te hebben, dan gaat het mis. Pedagogische medewerkers zie je vaak door de ruimte lopen. En dan zie je ook dat tachtig procent van de kinderen erachteraan loopt, want die volwassene staat voor basale veiligheid. Als je niet in hun buurt bent, dan zie je jonge kinderen ook kijken, ‘vraagkijken’ noemen we dat: waar is de juf? Ze gaan je zoeken. Maar als je bij kinderen gaat zitten, bij een groepje, op een vaste plek, dan kunnen ze je vinden.

Altijd zullen er dan kinderen zijn die even vlak bij jou willen komen voor een knuffel. En dan gaan ze weer weg. Ze moeten weten waar je bent. Hoe goedbedoeld ook, de poging om op ieder kind sensitief te
reageren werkt destructief. Singeren gaat over in kleine groepjes werken. Dat je er gewoon bent,
zodat de kinderen geconcentreerd kunnen spelen en de leerkracht kan observeren waar het kind mee bezig is.

En in hoeverre moet die volwassene meespelen?
Soms wel, soms niet. De leerkracht kan heel goed het initiatief nemen tot een spel en met veel plezier samen spelen en leren. Een leer- kracht die goed voorleest, opent een fictieve wereld voor de kinderen. Maar als de kinderen vrij spelen is het moeilijker in te springen. Volwassenen trekken snel alle initiatief naar zich toe, en dan stopt het spel. Om dat laatste te voorkomen, moet je er eerst een tijdje rustig bij zitten. De kinderen nodigen je dan vaak zelf wel uit. Even kijken, even luisteren. Die gedeelde aandacht zorgt ervoor dat ze verder kunnen en jij leert er geconcentreerder door kijken. En zo werkt het ook bij volwassenen. Als mijn computer het niet doet, dan slaat de paniek bij mij snel toe, dan roep ik om hulp. Want als die ander erbij gaat zitten, dan geeft dat rust, vertrouwen. Mijn aandacht wordt geconcentreerder. En heel vaak los ik het dan zelf op.

Dr. Elly Singer (1948) is ontwikkelingspsycholoog, pedagoog en senior onderzoeker. Ze was verbonden aan de Universiteit van Amsterdam en Universiteit Utrecht en is onder meer mede-auteur van het Pedagogisch kader Kindercentra 0-4 jaar en het Pedagogisch kader Diversiteit Kindercentra 0-13 jaar. 

Meer lezen?

Om u beter van dienst te zijn, maakt hetkind.org gebruik van cookies » Meer informatie