profiel

Myriam Lieskamp


Myriam Lieskamp
Bekijk mijn profiel

twitter

‘Moreel kompas’: als je onderwijsmetaforen een beetje stoffig dreigen te worden… hetkind.org/?p=62298

Ongeveer 8 minuten geleden op hetkind's Twitter via hetkind website

facebook
Werken met analfabeten

23 juli 2017

Myriam Lieskamp

Geplaatst in: Partnerschap,

Joanne Koudijzer werkte jaren als NT2-docente. Vanuit die ervaring schreef ze een hoofdstuk in het boek ‘Nieuwkomers op school, onderwijs als startpunt voor een betere toekomst’ over hoe je in een klas goed kan omgaan met verschillende niveaus van geletterdheid.

Ahmed loopt de klas in, gaat zitten, en zakt onderuit met zijn jas aan. Hij kijkt de docent aan maar reageert niet als die vraagt waarom hij te laat op school is. De docent vertelt hem vervolgens dat hij zijn map moet pakken. Ahmed blijft hem aankijken en blijft zitten zoals hij zit. Dan draait hij zich naar de jongen naast hem en begint in het Arabisch een gesprek.

Ahmed zit in een klas met analfabeten, hij is nooit naar school geweest en begrijpt niet dat hij naar een docent moet luisteren als die iets zegt. Hij snapt niet hoe hij een pen moet vasthouden en hoe hij al die moeilijke letters met die boogjes maakt. Ze lijken allemaal zo op elkaar! Veel liever speelt hij buiten voetbal of rookt hij samen met zijn vrienden.

Maria zit in dezelfde klas als Ahmed; ook zij is analfabeet. Wat was ze trots toen zij laatst voor het eerst haar eigen naam kon schrijven! En ze is erg blij met het papier dat zij gemaakt heeft. Overal op het papier staat het woord ‘vis’, door letters die uit een tijdschrift zijn geknipt. De letters zijn wat hoekig uitgeknipt, want knippen vraagt ook een bepaalde vaardigheid. Thuis schrijft Maria alle letters die ze die dag heeft geleerd nog eens op en leest zij boekje 4 van ‘Lezen doe je overal’ waarin ze nu bezig is. Want als ze dit boekje goed kan lezen, mag ze naar boekje 5!

Youssef vindt het allemaal erg langzaam gaan. In Syrië ging hij ook elke dag naar de middelbare school. Hij heeft het idee dat hij hier terug is in een begingroep van de basisschool, die net leert lezen en schrijven. Hij weigert dan ook om allerlei letters uit een tijdschrift te knippen: onzin! Hij schrijft het papier vol met Arabische letters. Hij schrijft ‘semek’; het Arabische woord voor vis. Youssef is semi-analfabeet. Hij kent alle Arabische letters en woorden wel, en heeft een goede motoriek, maar hij heeft het Latijns schrift nooit geleerd en kent de letters van het alfabet daarom ook nog niet.

Zomaar drie leerlingen uit een analfabetenklas, die alle drie een eigen aanpak nodig hebben. En dat is meteen een van de belangrijkste kenmerken van zo’n klas: de verschillen kunnen heel groot zijn en een klassikale aanpak gebruiken kan wel, maar ook daarin zal gedifferentieerd moeten worden. Semi-analfabeten zoals Youssef horen eigenlijk niet in een analfabetenklas. Maar als er niet zoveel leerlingen zijn, kunnen die leerlingen niet altijd in een aparte klas geplaatst worden.

Kleine stapjes

Een klas met analfabeten is idealiter niet te groot, maar ook hierin is niet altijd een keus. Het komt soms voor dat analfabeten in dezelfde klas zitten als gealfabetiseerde leerlingen. Probeer met de inzet van een onderwijsassistent de leerlingen toch zoveel mogelijk een eigen aanpak te geven. Analfabeten kunnen namelijk lang niet altijd helemaal zelfstandig werken en hebben begeleiding nodig. De pengreep moet uitgelegd worden, de fijne motoriek is vaak nog onvoldoende ontwikkeld en de leerlingen zijn nog onvoldoende aanspreekbaar in het Nederlands.

Deze jongens gingen thuis wellicht niet naar school of een aantal heeft misschien zelfs al gewerkt! Jongens van zestien jaar willen vaak geen kinderachtige dingen in de klas meer doen. En dan ineens in Nederland naar school gaan; dat kan weerstand oproepen. Voor deze doelgroep is het nog belangrijker dan bij andere leerlingen om aan te sluiten bij hun belevingswereld: wat willen ze leren? Wat was hun beroep in het land van herkomst? Dit vraagt veel creativiteit van docenten. Zij kunnen bijvoorbeeld ideeën opdoen bij het praktijkonderwijs, waar praktijkgericht gewerkt wordt.

Een groep kinderen die nooit de kans hebben gekregen om naar school te gaan en nu wel leren lezen en schrijven, kan bovendien zeer divers zijn, ook wat cognitieve aanleg betreft. De een zal dan sneller leren dan de ander. Differentiatie is dan het sleutelwoord. Als leerlingen semi-analfabeet zijn is het een kwestie van het Latijns schrift leren en dan instromen in de reguliere leerlijn.

Kortom: het is goed om een leerlijn voor analfabeten te hebben, maar elke analfabeet is anders. Flexibiliteit, creativiteit en differentiatie zijn van wezenlijk belang in het lesgeven aan deze kinderen.

Leerlingen die analfabeet zijn komen vaak binnen met weinig zelfvertrouwen. Dit kan zich op verschillende manier uiten: leerlingen kunnen ook met (ongewenst) gedrag laten zien dat ze heus wel meetellen. Het kan ook zijn dat ze timide worden en in het begin niets durven zeggen of doen. Het is belangrijk dat je als docent ook de kleine successen benoemt. In het begin kan dit nog niet verbaal, maar door lichaamshouding of een bepaalde blik weten kinderen al snel of ze iets goed hebben gedaan. Moedig de leerlingen zo veel mogelijk aan en geef complimenten over hun werkhouding en prestaties.

Hier volgen enkele concrete tips die kunnen helpen bij het werken met analfabeten:

Lezen

Kunnen lezen en schrijven is een belangrijk globaal doel voor analfabeten. Lezen neemt dus een belangrijke plaats in. De leesmethode ‘Lezen doe je overal’ komt overeen met ‘Veilig Leren Lezen’, maar is er speciaal voor tieners die leren lezen. In de eerste zes boekjes worden de letters en klanken aangeleerd. Boekjes 7 t/m 12 lopen op in moeilijkheidsgraad. Deze boekjes zijn ook ingesproken. Leerlingen kunnen dan zelfstandig naar het boekje luisteren en hardop meelezen. Zo zijn de leerlingen allemaal zelfstandig op hun eigen niveau aan het lezen. Als docent kun je rondlopen en steun bieden waar nodig, of je kunt leerlingen een voor een bij je roepen en samen met hen een stukje lezen. Zo houd je de voortgang van de leerlingen in de gaten. Als een leerling het boekje goed beheerst, kan hij of zij verder naar het volgende boekje.

Ook kan ervoor gekozen worden om klassikaal te lezen. Letters en klanken flitsen is een manier om dat te doen. Je kunt ook letters en klanken groot afdrukken en lamineren, en deze ophangen in de klas. Veel docenten combineren ‘Lezen doe je overal’ met ‘Veilig Leren Lezen’. Let op: sommige leerlingen vinden dit te kinderachtig. Bovendien zitten de woorden die aan bod komen nog niet altijd in hun woordenschat.

Letters aanleren

Kijk de leerlingen goed aan bij het leren van de letters. Laat zien wat je met je mond doet als je een letter vormt. Bepaalde klanken zijn voor deze leerlingen niet zo gemakkelijk uit te spreken als voor ons. Zo is de ‘ui’ standaard een moeilijke klank. Er zijn wel tips te vinden om moeilijke klanken uit te spreken: zo zeg ik bij de ‘ui’ vaak: ‘Geef je neus een kus bij het uitspreken van de klank.’ Op YouTube staat een filmpje waarin een leerkracht klanken uitspreekt voor beelddenkers en hulpmiddelen daarbij geeft. Bekijk dit voor je gaat lesgeven; het kan je als docent helpen bij het aanleren van letters en klanken aan de leerlingen.

Spreken en luisteren

Leerlingen die analfabeet zijn, ontwikkelen hun spreekvaardigheid vaak sneller dan gealfabetiseerde leerlingen, omdat ze veel op het gehoor moeten doen. Door thematisch te werken, kun je elke dag een aantal woorden aan bod laten komen die bij een bepaald thema passen. Herhaling, herhaling, herhaling is hierbij erg belangrijk. Een methode die hier goed bij aansluit is Alfalfa. Deze methode is niet talig en leerlingen hoeven niet veel te schrijven. Elke dag leren zij een aantal woorden. Aan het einde van de week kun je controleren of de leerlingen alle woorden productief en in de goede context kunnen gebruiken. Ook hierbij geldt weer: sluit aan bij hun belevingswereld, kies aan de hand daarvan oefeningen en bepaal je didactiek.

Er zijn van elk thema op internet diverse praatplaten te vinden. Je kunt bijvoorbeeld elke dag een bepaalde praatplaat erbij pakken en hierover praten. Dit is weliswaar een klassikale activiteit, maar ook hierbij kun je differentiëren. Zorg voor een praatplaat die past bij de belevingswereld van een leerling. Heel eenvoudig zijn vragen als: ‘Wie/wat zie je?’: ‘Ik zie de man’/’Ik zie de stoel’. Bij leerlingen die al wat spreekvaardiger zijn kun je vragen stellen als: ‘Wat doet de man?’: ‘De man zit op de stoel.’ Met de vraagstelling kun je differentiëren: leerlingen die nog weinig kunnen stel je korte vragen waarop ze korte, gesloten antwoorden kunnen geven. Leerlingen die al wat spreekvaardiger zijn, laat je antwoorden met een volledige zin. Zinsvolgorde wordt op een eenvoudige manier aangeleerd met ‘Zien is snappen’. Dit is een methode voor basisonderwijs, maar de kleuren die gebruikt worden voor de zinsbouw zijn goed te gebruiken bij het leren maken van een goede zin. Ook hierbij geldt weer: gebruik niet de methode zoals hij beschreven staat, maar pas het bruikbare aanbod toe op een manier die bij tieners past.

Woord voor Woord is een andere methode die gratis te gebruiken is. Veel ISK’s maken hier al gebruik van. Met YouTube en een goede handleiding wordt de spreek- en luistervaardigheid van de leerlingen geoefend. De woordenschat wordt uitgebreid en in de handleiding staan ook TPR (Total Physical Response)-oefeningen.

Motoriek

Leerlingen die nooit naar school zijn geweest, hebben soms moeite met het schrijven vanwege de onervarenheid hiermee. Het is belangrijk om daar elke dag mee te oefenen. Er zijn op internet diverse werkbladen te vinden om letters te schrijven. Ook zijn er filmpjes waarin je kunt zien hoe de letter geschreven moet worden.

Diverse activiteiten

Leerlingen die niet gewend zijn om naar school te gaan, hebben vaak een korte spanningsboog. Doe activiteiten bijvoorbeeld tussen de 20 en 30 minuten. Wissel lessen waarbij veel concentratie nodig is af met spelletjes. Zo kun je aan de muur diverse klanken ophangen. Jij noemt een woord en een leerling wijst de juiste klank aan. De rest van de klas kijkt of het goed is.

Je kunt ook Bingo spelen met de leerlingen: geef ze een rooster met negen lege vakjes en laat hen daarin letters of klanken schrijven. Jij noemt een woord en de leerlingen kijken of de letter of klank in een van hun vakjes staat.

Leer de leerlingen zo snel mogelijk de woorden voor kleuren aan. Zorg dat je altijd kleurpotloden voor alle leerlingen in je klas hebt. Zo kun je bij het thema ‘huis’ een plaat met een huis geven en opdrachten als: ‘kleur het bed blauw’ of ‘kleur de bank rood’ enzovoort. Op die manier verwerk je de aangeleerde woorden rondom het thema. Er zijn tal van actieve werkvormen te vinden op internet; zoek maar eens op ‘actieve werkvormen NT2’.

Twee maanden later…

Ahmed doet zijn jas uit als hij de klas in komt. Hij groet zijn docent in het Nederlands en begint daarna een gesprek met zijn klasgenoten. Als de docent om aandacht vraagt, houdt Ahmed op met praten en kijkt zijn docent aan. Hij pakt boekje 3 van ‘Lezen doe je overal’, waarin hij nu bezig is. Ook pakt hij de laptop, zodat hij kan luisteren naar het boek. Onder het luisteren kijkt hij wat om zich heen en is nog niet helemaal geconcentreerd bezig. De docent leest even een stukje met hem samen. Als hij daarna weer zelf moet lezen, houdt hij dat tien minuten vol, maar dwaalt dan weer af. Winst: hij leest, hij luistert naar de docent en leidt andere leerlingen niet meer af! Met kleine, heel kleine stapjes gaat Ahmed vooruit. Na het lezen is hij blij dat hij achter de computer woorden over het thema ‘sport’ mag oefenen, want dat is zijn wens: de beste voetballer worden van de wereld, want dan hoef je niet de hele dag te zitten en te lezen en schrijven.

Maria heeft haar laatste dag in de alfabetiseringsklas. Trots is ze aan het lezen in boekje 8. Het gaat nog niet heel snel, maar ze kan inmiddels wel alle woorden lezen. Volgende week gaat Maria naar de beginklas van de reguliere leerlijn. Haar mondelinge woordenschat is uitgebreid. Dit zal haar helpen als zij in de reguliere leerlijn dezelfde thema’s tegenkomt als in de analfabetenleerlijn. Alleen nu zal ze álle woorden moeten leren schrijven, ook de lange woorden met drie of vier lettergrepen! Maar ze heeft zich voorgenomen elke dag vijf keer alle woorden thuis op te schrijven.

Youssef zit al een paar weken niet meer in de alfabetiseringsklas. De docent heeft gezegd dat hij naar de reguliere leerlijn mag als hij alle letters en klanken goed kan schrijven en op zijn dictees minstens 85 procent scoort. Dit zorgde ervoor dat Youssef wist waar hij voor werkte; hij had nu een duidelijk doel voor ogen. Nog steeds gaf hij commentaar als hij iets te kinderachtig vond of als hij iets moest doen wat hij volgens hem allang kon. Maar om verder te komen besloot hij toch naar de docent te luisteren. En met succes!

Als docent voor een klas analfabeten is elke dag weer anders. Elke dag is een uitdaging! Je hebt te maken met een speciale doelgroep en het is lovenswaardig dat je deze uitdaging aangaat!

Een tip is: noteer elke dag drie succeservaringen, want door dagelijks drie positieve gebeurtenissen op te schrijven, zie je dat het succes in de kleine dingen zit en dit kan je weer energie en motivatie geven om met deze bijzondere leerlingen te werken.

Geef elke leerling elke dag even aandacht, want

  • misschien ben jij de enige die deze leerling elke dag bij zijn of haar naam noemt…
  • misschien ben jij de enige die deze leerling elke dag een beetje aandacht geeft…
  • misschien ben jij de enige die deze leerling ziet en stimuleert…
  • misschien ben jij de enige die in deze leerling gelooft…
  • misschien ben jij de enige die deze leerling weer een beetje hoop geeft!

Methoden:

  • Coenen, J. & Heijdenrijk, M. (2013), Zien is snappen. Bazalt.
  • Guchte, van der C. (1996), Lezen doe je overal. Zwijssen.
  • Hatting, M. & Bhoepsing, G. (2002), Alfalfa. CED-groep.
  • Woord voor Woord – alfadeur.nl voor lessen en handleiding

Meer informatie? Kijk op www.schoolofhope.nl of www.lowan.nl.

Dit verhaal is afkomstig uit het boek ‘Nieuwkomers op school, onderwijs als startpunt voor een betere toekomst’. De opbrengsten van de verkoop van het boek gaan naar projecten voor onderwijs aan nieuwkomers. Scholen kunnen hiervoor een aanvraag doen. 

Om u beter van dienst te zijn, maakt hetkind.org gebruik van cookies » Meer informatie