profiel

Dick van der Wateren


Dick van der Wateren
Bekijk mijn profiel

twitter
facebook
‘Waarom moet ik naar school? Waarom moet ik mijn eigen leven vormgeven?’ Goede vragen. Niet met een dooddoener afdoen.

12 januari 2018

Dick van der Wateren

‘Een goede leraar is een autoriteit maar niet autoritair, lees ik bij zowel Biesta als Meirieu. Wat betekent dat voor mij?’, vraagt bètadocent Dick van der Wateren zich af in dit tweede deel van zijn zoektocht naar hoe het onderwijs kinderen kan begeleiden naar volwassenheid. ‘Autoriteit komt voort uit onze vakkennis, onze pedagogische deskundigheid en onze levenservaring. Wanneer we die (nog) niet bezitten kunnen we daar maar beter eerlijk over zijn in plaats van onze toevlucht te nemen tot autoritair gedrag. Dit was een harde les die ik leerde in mijn eerste jaar voor de klas.’

Eerder deze week publiceerde hetkind dit eerste deel van Dick van der Waterens betoog, waarin hij vaststelde: ‘Leraren dragen niet alleen kennis over, maar voeden ook op.’ Op zoek naar een antwoord op wat we bedoelen met ‘jonge mensen naar volwassenheid begeleiden’, dook Dick in het diepe, zocht houvast bij denkers als Biesta, Pols en Neiman, kwam tot praktische ijkpunten en nam hij de lezer mee naar zijn klas, waar fouten maken móet, strafwerk onzin is en het er niet toe doet wát zijn leerlingen precies leren (Frans of Chinees, lenzen of radioactiviteit), als het maar véél en diepgravend is.

Hier het vervolg van zijn zoektocht. Tot een sluitende definitie van volwassenheid komt hij niet, wel heeft Dick concrete handreikingen wat een leraar kan doen om kinderen uit te nodigen tot een zelfredzame, autonome, respectvolle houding ten opzichte van de wereld en de ander.

Is het belangrijk dat wij opvoeders leven volgens de morele waarden die we aan onze leerlingen overbrengen? Tieners hebben immers al ervaren dat grote mensen niet alles weten en niet op alle vragen een antwoord hebben. Helpt het hen als wij leraren de pretentie van allesweters dan ook laten varen en eerlijk zijn als we iets niet weten? Mij overkomt het geregeld dat ik het antwoord niet weet op een lastige vraag – over relativiteit, zwarte gaten of tijd. Dat zijn aanleidingen voor interessante lessen waarin ik die vraag samen met mijn leerlingen uitzoek. Die horen tot mijn mooiste lesmomenten.

Tieners weten inmiddels ook dat niet alles wat hen is verteld waar is en dat grote mensen zich niet altijd houden aan de regels die ze kinderen opleggen. Dat is wat hen kwaad maakt: de tegenstelling tussen hoe de wereld is en hoe die zou moeten zijn.

Als we vinden dat kinderen eerlijk moeten zijn, moeten we zelf niet liegen. Als we vinden dat kinderen zich aan hun afspraken moeten houden, moeten we dat zelf ook doen. Als we vinden dat kinderen op tijd moeten komen, moeten we het goede voorbeeld geven. We zullen er niet altijd in slagen om in al deze dingen perfect te zijn; zo kunnen we hen ook voordoen hoe wij met onze fouten omgaan. Zijn we inconsequent door niet de praktiseren wat we preken dan wekken wij het risico dat jongeren een cynische levenshouding ontwikkelen: moraal is een machtsmiddel en idealen zijn kinderachtig. Dat is het cynisme dat we ook bij teleurgestelde kiezers zien ontstaan. Tegenover cynisme kunnen we verwondering stellen en een kritische manier van denken. Daarover verderop meer.

Rolmodel

Een goede leraar is een autoriteit maar niet autoritair, lees ik bij zowel Biesta als Meirieu. Wat betekent dat voor mij? Autoriteit komt voort uit onze vakkennis, onze pedagogische deskundigheid en onze levenservaring. Wanneer we die (nog) niet bezitten kunnen we daar tegenover onze leerlingen maar beter eerlijk over zijn in plaats van onze toevlucht te nemen tot autoritair gedrag. Daarmee verliezen we onze geloofwaardigheid en het vertrouwen van onze leerlingen. Dit was een harde les die ik leerde in mijn eerste jaar voor de klas. De ontdekking dat ik alle pretentie kon laten varen en kwetsbaar kon zijn tegenover mijn leerlingen was een echte bevrijding.

Bij een volwassen levenshouding hoort dat we een onafhankelijk standpunt in kunnen nemen en tegelijkertijd open te staan voor de mogelijkheid dat een ander standpunt beter is, leer ik van Neiman (2014). Wij kunnen die houding ook in het onderwijs voorleven en de standpunten van onze leerlingen respecteren, zolang die maar gebaseerd zijn op feiten. Dat is soms moeilijk als een leerling een standpunt inneemt waar ik het absoluut niet mee eens ben, bijvoorbeeld over asielzoekers. De verleiding is dan groot om iemand met een vloed van argumenten van zijn of haar ongelijk te overtuigen in plaats van rustig te luisteren en mij af te vragen welke van diens argumenten houtsnijden en te kijken waar we het wel over eens zijn. Zo kan een meningsverschil een oefening in moreel oordelen worden.

Volwassenen zijn in staat hun woede en andere driften te beheersen. Onze woede, hoe rechtvaardig ook, kunnen we niet ongeremd uiten. Niet alleen omdat we daarmee anderen onnodig kunnen kwetsen, maar ook omdat we daarmee het tegenovergestelde kunnen bereiken van wat we beogen.

Een mentorleerling van mij, Erik, was verontwaardigd dat een andere docent zijn ouders had gebeld omdat hij zich zorgen maakte over de vele onvoldoendes van mijn leerling. De kans was groot dat hij daardoor zou zakken. Erik was 18 en mijn collega had hem eerst toestemming moeten vragen voor het telefoontje met zijn ouders. Eriks verontwaardiging was terecht, maar het arrogante en neerbuigende mailtje dat hij aan mijn collega stuurde was misplaatst en contraproductief.

Ik vroeg hem wat hij er mee wilde bereiken. “Ik was kwaad,” antwoordde hij.

“Best mogelijk, maar je hebt jezelf geen dienst bewezen. Je hebt meneer Peters onnodig gekwetst en dat zal hem niet motiveren extra zijn best voor je te doen. Je zult in je leven zoiets wel vaker meemaken; een baas die je onredelijk behandelt bijvoorbeeld. Als je dan zo’n mailtje stuurt kun je meteen je boeltje pakken.”

Op mijn suggestie is Erik met mijn collega gaan praten. Die heeft toegegeven dat hij fout zat en zich geëxcuseerd. Erik heeft zich voor het mailtje geëxcuseerd en daarna konden ze weer prima samenwerken.

Wanneer de franse filosoof en pedagoog Philippe Meirieu stelt dat pedagogiek inhoudt ‘de plicht om weerstand te bieden’ (Meirieu, 2016), zullen we conflicten niet uit de weg kunnen gaan. Dat roept de vragen op: “Is conflict een noodzakelijk element van volwassenwording?” En: “Wat leert het kind juist van het conflict?”

We kunnen het belang van conflicten bij de opvoeding niet licht overschatten. In onze scholen zien we al te vaak de gevolgen van conflictvermijding in de gezinnen van onze leerlingen. Ouders die hun kinderen niets in de weg leggen, omdat ze de voortdurende ruzies thuis zat zijn en het niet meer weten, helpen hun kinderen niet volwassen te worden. Die kunnen opgroeien tot kleuters in een grotemensenlichaam die menen dat de wereld om hen draait en die in alles hun zin willen hebben zonder met anderen rekening te hoeven houden.

Als opvoeders – ouders zowel als leraren – hebben wij de opgave, wanneer dat nodig is, het conflict met kinderen aan te gaan. Daarmee leren we hen dat onze individuele vrijheid begrensd wordt door de wereld om ons heen. We leren hen met boosheid omgaan en conflicten op een volwassen manier oplossen. Het verhaal van Erik is daarvan een goed voorbeeld.

Verwondering

Verwondering is voor mij een levenslang thema, als wetenschapper, als leraar, maar ook in het dagelijks leven. Er is weinig waarover ik mij niet kan verwonderen. Op het eerste gezicht lijkt dat weinig met ons thema te maken te hebben, maar ik denk dat wanneer we werkelijk autonoom willen zijn in ons denken, we in staat moeten zijn ons over alles te verwonderen. Niet zoals een kind zich kan verbazen, maar met een volwassen verwondering waarbij we vragen stellen bij alles wat vanzelfsprekend lijkt.

Toen we klein waren konden we ons over van alles verwonderen omdat alles nieuw was. Naarmate we ouder worden zijn veel dingen normaal en vanzelfsprekend geworden. Verwondering vraagt inspanning en de bereidheid niets als vanzelfsprekend aan te nemen. Niets is ‘gewoon’ wat het is. Door ons over iets te verwonderen en er vragen over te stellen, gaan we het begrijpen, of op zijn minst inzien wat we (nog) niet weten. Verwondering is het begin van kritisch en creatief denken.

In mijn boek Verwondering (Van der Wateren, 2016) pleit ik voor onderwijs dat jonge mensen stimuleert zelfstandig te denken door middel van vragen die ze vanuit hun verwondering stellen. Daarbij is het belangrijk de ontwikkeling van dit denken zichtbaar te maken: voor de leerlingen en hun ouders die daarmee hun groei kunnen volgen en voor de leraar die ziet welke leerling nog extra ondersteuning nodig heeft (Ritchhart, Church, & Morrison, 2011). Die groei gaat niet alleen over cognitieve ontwikkeling, maar ook ontwikkeling naar volwassenheid en wereldburgerschap.

Als we leerlingen niet zelfstandig laten denken, maar de lesstof met vragen en antwoorden kant-en-klaar aanbieden, bestaat het gevaar dat ze passief consumeren en gemakzuchtig denken. Dat is voor hen het makkelijkste. Het was ook het commentaar dat ik kreeg van mijn leerlingen toen ik hen de opdracht gaf zelf na te denken in de natuurkundeles: “Meneer, zegt u nou maar wat we moeten doen. Dat vinden we veel makkelijker.” Mijn antwoord was dat het niet mijn taak was het hen makkelijk te maken. Voor het aanleren van kunstjes die ze op het eindexamen moeten reproduceren, was het mij nog veel te vroeg.

Je kunt je leerlingen uit het boek laten leren dat de Aarde een bol is met een doorsnede van 12.756 km. Dat is voor de leerlingen betekenisloze kennis. Interessanter is het hen de vragen te laten stellen: “Hoe kunnen we weten dat de Aarde een bol is?” en “Hoe kunnen we de doorsnede van de Aarde bepalen?” En die vragen dan zelf laten onderzoeken, liefst met een zelfbedachte methode.

(‘Believe nothing, no matter where you read it or who has said it, not even if I have said it. Unless it agrees with your own reason and your own common sense‘: Deze tekst zag ik op de deur naar een klaslokaal op High Techt High in San Diego. Spreekt me erg aan.)

Ik vind het interessanter als mijn leerlingen zich bezighouden met vragen over het ‘waarom’ en ‘waardoor’ dan over het ‘wat’. Daarvan leren ze dat je door de goede vragen te stellen en over de antwoorden na te denken diepere inzichten krijgt hoe de wereld – onze sociale zowel als onze fysieke omgeving – werkt. Zelf vragen stellen maakt ons onafhankelijk van wat anderen ons proberen wijs te maken. Ik spoor mijn leerlingen aan om wat ik vertel of wat in hun boek staat te bevragen en niet klakkeloos aan te nemen dat het waar is omdat ik ‘nu eenmaal de leraar ben’.

Ik ben van mening dat wanneer mijn leerlingen diep leren denken over mijn vak, zich bezighouden met de essenties, het er niet toe doet of we alle hoofdstukken hebben behandeld. Ze kunnen dan ook de problemen uit andere hoofdstukken aan. We hoeven dan niet de hele bovenbouw te besteden aan de onderwerpen van het eindexamen, maar lekker de diepte in gaan.

Losse eindjes

Een echte definitie van volwassenheid heb ik nog steeds niet. Of dat erg is weet ik niet. Ik ben wel beter gaan begrijpen waar ik al die jaren voor de klas mee bezig was, maar ik ben nog lang niet uitgedacht over het onderwerp. Susan Neimans vraag: “Waarom zou ik volwassen worden?” staat nog open (Neiman, 2014). Dat lijkt me een goede vraag om in de proeftuin, die een school is, met enige regelmaat aan de orde te stellen. Neiman spoort ons aan ook deze vragen van onze leerlingen serieus te nemen: “Waarom moeten ik regels volgen? Waarom moet ik naar school? Waarom moet ik betekenis vinden en mijn eigen leven vormgeven?” en die niet met een dooddoener beantwoorden.

Wij kunnen daar de voordelen van het volwassen worden tegenoverstellen en de platitudes van de consumptiemaatschappij over eeuwige jeugd en schoonheid doorprikken. De wereld heeft autonoom denkende mensen nodig die in staat zijn een volwassen oordeel te vormen over de problemen waarmee we worden geconfronteerd en die kunnen werken aan oplossingen. We kunnen het ons niet veroorloven het denken en oordelen over te laten aan een handjevol die voornamelijk in hun eigen belangen geïnteresseerd zijn. Een antwoord op de vraag waarom we volwassen zouden worden is dat wij dan die mensen worden die afgewogen oordelen kunnen vormen en kunnen nadenken over oplossingen voor klimaatproblemen, afnemende biodiversiteit, armoede en honger. Zo zijn we weer terug bij de uitspraak van Susan Neiman (Neiman, 2014): Volwassen worden is “doen wat je kunt om jouw stukje van de wereld meer te laten lijken op hoe het zou moeten zijn zonder uit het oog te verliezen hoe het werkelijk is”. Die gedachte heeft beslist een plaats in ons onderwijs.

Dick van der Wateren

Dick van der Wateren is docent op het Eerste Christelijk Lyceum in Haarlem. Daarnaast heeft hij jarenlange ervaring als wetenschapper (geologisch onderzoek o.a. op Antarctica en in Afrika) en wetenschapsvoorlichter. Van der Wateren is betrokken bij tal van onderwijsvernieuwende praktijk- en gesprekskringen. Hij startte het blogcollectief OnderzoekOnderwijs.

Bronnen

Meirieu, P. (2016). Pedagogiek. De plicht om weerstand te bieden. Culemborg: Phronese.

Neiman, S. (2014). Waarom zou je volwassen worden? Amsterdam: Ambo|Anthos.

Ritchhart, R., Church, M., & Morrison, K. (2011). Making Thinking Visible: How to Promote Engagement, Understanding, and Independence for All Learners. San Francisco: Jossey-Bass.

Van der Wateren, D. (2016). Verwondering. Leren creatief en kritisch denken door vragen te stellen. Meppel: Ten Brink. https://tenbrinkuitgevers.nl/verwondering

Om u beter van dienst te zijn, maakt hetkind.org gebruik van cookies » Meer informatie