profiel

Geert Bors


Geert Bors
Bekijk mijn profiel

twitter

‘Wat missen we als de pedagogische dimensie bij onderwijsonderzoek uit het zicht verdwijnt?’ hetkind.org/?p=64508

Ongeveer 10 uur geleden op NIVOZ-platform hetkind's Twitter via hetkind website

facebook
Morele vorming op school: weg van de beklemmende ‘normen en waarden’-discussie

19 februari 2018

Geert Bors

BOEK: Welk boek heeft je karakter mede gevormd? Met die vraag trekt het werk Lezen voor het leven je de bladzijdes in. Of nee, het doet je eerst stilstaan bij jouw ervaringen uit je vormende jaren. Diezelfde jaren waarin je leerlingen zich nu bevinden. Filosoof Wouter Sanderse stelde een praktijkboek samen dat literatuuronderwijs combineert met deugdethiek. En passant haalt hij morele vorming op school uit de beklemmende ‘normen en waarden’-discussie.

Voor ons mondeling eindexamen Nederlands moesten we uit een lijst van achttien boeken de helft kiezen. Dat is wat je noemt vrijheid binnen ferm vastgestelde grenzen. Zo kwam Karakter van Bordewijk op mijn scholierenkamer terecht.

Karakter. F. Bordewijk. Nieuwe zakelijkheid, uit 1938. Geen woord te veel, dus, en toch een lijvig werk. Zou het boek zonder die nudging van de sectie Nederlands ooit in mijn blikveld zijn gekomen? Met hun zorgvuldig gecomponeerde keuzelijst kom je misschien wel in de buurt van onderwijs als ‘begeleide zelfvorming’, zoals Joep Dohmen Bildung definieert: je docenten doen de handreiking; het is aan jou als leerling om de onderdompeling aan te gaan.

Al snel omarmde ik het verhaal en de hoofdfiguur Jacob Katadreuffe. De eigenlijke roman begint als Jacob op de drempel van zijn volwassen leven staat, even piepjong als zijn moeder toen ze – in dienst van de gevreesde deurwaarder Dreverhaven – ongewenst zwanger van hem raakte. Jacob is opgegroeid met zijn zwijgzame moeder, die nooit geld, een huwelijksaanzoek of enige andere toenadering van Dreverhaven heeft geaccepteerd. En nu wil de jongvolwassen Jacob ‘vrij man’ zijn en neemt – met een lening van een woekerbankje – een sigarenzaak over. Meteen al blijkt dat hij een kat in de zak gekocht heeft en dan klopt de bank aan, voor het periodiek innen van de schuld. Een bank waarachter Dreverhaven blijkt te zitten.

Terwijl Katadreuffe valt en opkrabbelt, na een poos gestaag en gedreven begint te bouwen aan zijn toekomst en zich van kantoorklerk opwerkt tot advocaat, blijft Dreverhaven hem telkens dwarsbouwen. Met een goede reden, zo verklaart hij zichzelf en zijn handelen laat in het verhaal.

Jacob studeert bij een lampje tot in de late uren voor zijn examens, om de volgende dag monter naar zijn werk te gaan en daar telkens de kans te lopen de schaduw van zijn vader weer te zien verschijnen. Bij eenzelfde leeslampje liet ik de bladzijdes voorbijgaan. Zelfs zonder de slagschaduw van een dominante vader was het niet moeilijk een verwante hongerige jonge ziel en een bemoedigend voorbeeld te zien in de doorbeukende Jacob.

Karaktervorming

De herinneringen aan mijn puberkamer en aan Bordewijks Karakter kwamen boven, toen ik halverwege het boek Lezen voor het leven – Deugden in de wereldliteratuurstuitte op zes hoofdstukken waarin een klassiek werk uit achtereenvolgens de Griekse Oudheid en de moderne talen Spaans, Frans, Duits, Nederlands en Engels wordt uitwerkt tot een concrete literatuurles bezien door de bril van de Aristotelische deugdethiek.

Karakter had daartussen niet misstaan. Het boek ‘Lezen voor het leven’ gáát immers over karaktervorming. En alleen al zo’n klein inzicht-scheppend moment als de etymologische herkomst van het woord ‘karakter’ maakt het boek waardevol voor iedere leraar met een interesse voor de brede vorming van zijn of haar leerlingen. Hoofdauteur Wouter Sanderse schrijft in zijn slothoofdstuk:

‘Met onze keuzes vormen we een spoor in onszelf, en dit spoor wordt steeds dieper naarmate we het langer volgen, totdat het heel moeilijk wordt om het te verleggen. Of, om een ander beeld te gebruiken: het is een ravijn dat heel langzaam uitgeslepen wordt door een rivier die dag in dag uit de steen verder erodeert. Het is niet toevallig dat “karakter” etymologisch verwant is aan “krassen”, “stempelen” en “graveren”. (p. 206; vgl. p.159)

Een mensenziel raakt bekrast, een karakter wordt uitgebeiteld, gevormd – ten goede of ten kwade. Dat houdt automatisch in dat er iets te vormen, te veranderen, boven te halen of juist te onderdrukken valt. En dat is precies zoals de auteurs een karakter definiëren: als deels gegeven en deels kneedbaar.

‘Dat onze handelingen voortkomen uit ons karakter betekent niet dat bij de geboorte al helemaal vastligt wie we zijn. De deugdethiek veronderstelt dat ook onze opvoeding en onze eigen keuzes bepalend zijn voor wie we zijn. (…) Je keuzes en je houdingen beïnvloeden elkaar wederzijds. Enerzijds bepaalt je karakter, wanneer je dat eenmaal hebt, je keuzes, en anderzijds zijn je keuzes bepalend voor de verdere vorming van je karakter.’ (p. 158)

Je hebt die kneedbaarheid nodig om überhaupt te kunnen gaan nadenken over Bildung en de mogelijkheden van ‘begeleide zelfvorming’. Op dezelfde bladzijde dat Dohmens definitie klinkt, wordt ook duidelijk dat wat er te vormen valt aan het karakter van een kind niet hetzelfde is als hoe een kunstenaar zijn klei boetserend naar zijn hand kan zetten. Een gevoelvol citaat van de overleden denker des vaderlands René Gude maakt met de kracht van een motto duidelijk wat onderwijs vermag en met wat een evenwichtskunst leraren hun ‘prachtige waagstuk dat onderwijs heet’ dagelijks aangaan:

‘[Je kunt] autonomie, karakter en persoonlijkheid niet in iemand anders aanbrengen. En een gefixeerd eindproduct, waarop de docent als kunstenaar trots zou kunnen zijn, is er ook niet. Je loopt een tijdje met iemand mee die zichzelf aan het vormen is tot een mens uit één stuk. Dat is een precaire situatie waarin iedere docent zich bevindt en die een leven lang geduld zwaar op de proef zal blijven stellen. Je kunt zelfstandigheid van de leerling niet afdwingen, maar je wilt ze toch ook niet in de steek laten. (p.20)

Geluk = gelukt zijn

Dit praktijkboek zoekt verbindingen tussen de Aristotelische deugdethiek en dat wat er aan voorbeelden van karaktervorming, deugd en het streven naar ‘het goede leven’ te vinden is in het lezen en beleven van wereldliteratuur. Eerst maar eens Aristoteles, de filosoof die bekend staat van de ‘deugd die in het midden ligt’.

Volgens Aristoteles streeft ieder mens naar het laten slagen van zijn leven. ‘Geluk’ en ‘gelukkig zijn’ hebben in zijn ethiek alles te maken met ‘lukken’ en ‘gelukt zijn’. Dat betekent niet zoveel mogelijk rijkdom en macht vergaren of vooral veel lol beleven – het alomtegenwoordige hedonistische ‘genieten’ – maar om te floreren als mens. Het leven is voor Aristoteles een constante oefening om de beste versie van jezelf te worden, waarbij het er niet alleen om gaat je talenten te ontdekken, te ontwikkelen en te leren gebruiken, maar ook om je goed te leren verhouden tot de periodes waarop het leven je tegen zit. (vg. pp. 197-9)

Dat streven naar ‘morele excellentie’ is de richtingwijzer, het ‘waartoe’ van waarom je aan karakterontwikkeling zou willen doen – als individu, als leerling. Maar zeker ook als leraar die ‘een tijdje met je meeloopt’, want leraren, ouders en andere begeleiders hebben een verantwoordelijke rol te spelen in de morele ontwikkeling van ieder kind tot een deugdzaam, florerend, lukkend mens.

‘Normen en waarden’-discussie

Bij ‘deugden’ kun je associaties krijgen met het Balkenendiaanse hameren op ‘normen en waarden’ van de laatste vijftien jaar. Sanderse en zijn mede-auteurs maken meer dan duidelijk dat dát nadrukkelijk niet hun ingang tot morele vorming op school is. Met Paul van Tongeren, Gert Biesta en Siebren Miedema bij de hand wordt betoogd dat al het gepraat over ‘normen en waarden’ dergelijke terminologie weliswaar tot gemeengoed heeft gemaakt, maar eerder nadelig dan positief heeft uitgepakt voor het onderwijs: ‘docenten zijn waarden en normen gaan zien als “extraatjes”, die weinig met het eigen vak te maken hebben’, waarmee het idee van onderwijs als ‘waardenwerk’, als ethische bezigheid, verder op de achtergrond geraakt is. (p.30)

Waar waarden ‘mooie idealen, stippen op de horizon’ zijn, die weliswaar inspirerend en prettig onuitgewerkt zijn, kunnen ze echter grote meningsverschillen bedekt houden én zijn ze zelden voldoende om tot handelen over te gaan. (p.151). Normen daarentegen zijn weliswaar concreet, maar formuleren vaak de minimale ondergrens van behoorlijk gedrag, en maken de motivatie om eraan gehoor te geven vaak extrinsiek, waardoor ze uitdagen tot overtreding. (p.153).

Eerder heeft de hier voorgestelde deugdethiek verwantschap met wat in de Engeland en Amerika ‘character education’ heet. Deugden zijn iets van onszelf, iets geïnternaliseerds. Sanderse schrijft: ‘Deugden zijn stabiele karaktereigenschappen die aanzetten tot moreel gedrag’ en ‘iemand die deugt, heeft zelf de wijsheid om in iedere unieke situatie te bepalen wat gepast is.’ Of, zoals Van Tongeren iets verderop wordt aangehaald: een deugd is ‘een houding waarin een waarde concreet is geworden en waarin een norm verinnerlijkt is’ (p.154)

Het juiste midden

De Aristotelische deugdethiek gaat uit van de vuistregel dat een deugd het midden houdt tussen de twee extreme houdingen. Het vaakst wordt dan het voorbeeld van de kardinale deugd ‘moed’ aangehaald, die het midden houdt tussen ‘lafheid’ (gebrek aan moed) en ‘roekeloosheid’ (overmoedigheid). Nu is er geen precies, altijd geldig midden aan te wijzen tussen die twee extreme polen. In sommige situaties ben je moedig, wanneer je je wegloopt van wat er voorvalt, terwijl je in een andere juist moed toont door strijd te leveren. Wat het deugdelijke midden is, hangt af van jou, als persoon, en van de situatie.

‘Om het midden te treffen in iedere situatie hebben we een soort praktische kennis nodig’, stelt Sanderse in hoofdstuk 10, waarin hij Aristoteles’ definitie van een deugd haarfijn uiteenrafelt. Die juiste balansoefening in het deugdelijk reageren, afhankelijk van jezelf, de persoon tegenover je en de omstandigheden, lijkt op wat het NIVOZ in de onderwijs- en opvoedingswerkelijkheid ‘pedagogische tact’ noemt. En precies die referentie haalt Wouter Sanderse ook aan. Zoals Max van Manen zelf al eerder deed, koppelt de hoofdauteur tact aan ‘praktische wijsheid’ of – in Aristoteles eigen term ‘phronesis’. Daarmee trekt Sanderse het pedagogische werk van het NIVOZ in een oude denktraditie: ‘Met praktische wijsheid houd je enerzijds zicht op een moreel doel, en anderzijds op de concrete omstandigheden.’ (p.160).

Mogen we moreel opvoeden op school?

Het boek is uiteraard veel rijker dan kan worden weergegeven in deze samenvatting. Zes besproken romans, korte interviews met mensen als filosofe Martha Nussbaum en oud-politicus Jan Terlouw, uiteenzettingen over tien deugden. Het is vooral ook rijker in de vragen die het opwerpt. Kun je lezend een beter mens worden? Doen we literaire werken niet te kort door ze door een ethische bril te lezen?

Dat zijn mooie vragen voor een vrijdagmiddag in de sectie moderne talen. Maar voor Sanderse en zijn medeauteurs stopt het daar niet. Literatuuronderwijs mag dan een relatief natuurlijke plek zijn om psychologische, existentiële en filosofische vragen aan de orde te brengen, er zijn veel meer schoolvakken waar character education aan de orde kan komen. Het boek werkt voorbeelden uit van wiskunde tot lichamelijke opvoeding en van aardrijkskunde tot informatica. Als oud-student Engelse taal- en letterkunde geeft het een goed gevoel dat ‘die softe talen’ daarmee een aanzwengelende rol in een schoolmissie en curriculum kunnen spelen. (p.199)

Want dat is de hamvraag van het boek: mogen we moreel opvoeden in onze scholen? Ja, is het eensluidende antwoord. Maar niet à la het opgelegde ‘normen en waarden’-pandoer van de laatste vijftien jaar waarbinnen iedereen de grenzen van ‘normaal doen’ moet huldigen. Het is subtieler en rijker, aftastender en doortastender dan dat: het gaat om Biesta’s kwalificatie, socialisatie én persoonsvorming (p.19), het gaat om het ‘op gang brengen’ van een vormingsproces bij je leerlingen en het ‘aandragen’ van materiaal. En laat nou dat materiaal ‘het beste dat ooit bedacht en gezegd is’ te zijn, dat een goede docent toegankelijk en in goede afstemming kan aanreiken. (p.21) Zoals filosoof Paul van Tongeren in zijn overtuigende hoofdstuk zegt:

‘Door de literatuur worden we uitgedaagd, verontrust, getroost, en dus steeds aangesproken als morele wezens, wezens die verlangen naar geluk, die beseffen dat zij onder een verplichting staan, die zich verbonden weten met anderen, enzovoort.” (p.51)

Kritisch noot

Helemaal geen kritisch noot dan? Toch wel. Ergens blijft de toonzetting soms een beetje wringen: het boek kiest er niet helemaal voor een studieus boek te zijn, noch wil het een luchtig plaatjesboek worden.

Daarbij kennen de hoofdstukken met de voorbeeldromans een wat staccato opsomming van biografie van de auteur, genreduiding en plaatsing van het boek in zijn tijd, uitlopend in een lesopzet. In een boek bedoeld ‘voor leraren die aan de slag willen met deugden in het literatuuronderwijs’, moet daar toch veel gesneden koek bij zitten. Liever was ik in die hoofdstukken daadwerkelijk door een praktisch wijze leraar meegenomen ín een les. Had in plaats van een lesplan op het droge, dan (ook) laten zien wat er in een klas gebeurt, wanneer je de dialoog voert en samen nadenkt over hedendaagse ‘moraalridders’ (Don Quichote), over ‘vrije wil’ en de rol van het ‘lot’ (Van oude mensen), over de verhouding tussen individu en overheid of de politieke macht van taal (1984).

Maar dat zijn minor details in een boek dat de deugdethiek zo aansprekend naar het middelbaar (taal)onderwijs brengt, en de literatuurdocent ook nog eens ferm aan het roer zet van de morele vorming in het hele schoolcurriculum. Voor wie de levende les en de stem van de leerling mist, is een boek als Kinderlogica van filosofe Sabine Wassenberg een aanvullende aanrader.

Op z’n best is literatuuronderwijs er voor de directe geraaktheid en de langdurige naklank. Zoals de leeservaring van Karakter dat voor mij was. Een door Wouter Sanderse ingefluisterde leraar had die ervaring ongetwijfeld nog verder kunnen verdiepen. Soms heb je de begeleiding van een met jou oplopende leraar nodig om een literair werk zijn waarde te geven: Bordewijk zelf vond Karakter bijvoorbeeld maar gedeeltelijk geslaagd: ‘’t is echt een boek voor jonge mensen. Voor zover die jonge mensen nog zo’n dik boek lezen willen.’

Geert Bors

Geert Bors studeerde Engelse taal- en literatuur en is redacteur/schrijver bij NIVOZ en hetkind

Benieuwd geworden?

Wouter Sanderse (red.) Lezen voor het leven – deugden in de wereldliteratuur (Leusden: ISVW Uitgevers, 2017)
Sabine Wassenberg. Kinderlogica (Rotterdam: Lemniscaat, 2017)

Om u beter van dienst te zijn, maakt hetkind.org gebruik van cookies » Meer informatie