profiel

Geert Bors


Geert Bors
Bekijk mijn profiel

twitter

‘Wat missen we als de pedagogische dimensie bij onderwijsonderzoek uit het zicht verdwijnt?’ hetkind.org/?p=64508

Ongeveer 10 uur geleden op NIVOZ-platform hetkind's Twitter via hetkind website

facebook
Luc Stevens’ woorden bij een naderend afscheid: over NIVOZ, over ademruimte en over de menselijke natuur

27 februari 2018

Geert Bors

Luc Stevens (76) neemt binnenkort afscheid als wetenschappelijk directeur van stichting NIVOZ (zie onder en eerdere berichtgeving), dat hij 15 jaar geleden oprichtte. Ontevreden over hoe de universitaire wereld zich ontwikkelde tot smalle cijfermatige instituten, trok de hoogleraar zijn eigen plan en begon hij in 2003 zijn eigen ‘onderwijsinstituut’ dat plek bood voor reflectie en bezinning op de pedagogiek als handelingswetenschap. De leraar en haar klas zijn bij Stevens nooit ver weg. Een interview afgenomen en uitgewerkt door NIVOZ-redacteur Geert Bors. Dit interview is afkomstig uit het blad Mensenkinderen.

Emeritus hoogleraar orthopedagogiek en founding father van NIVOZ, Luc Stevens, is zojuist het podium afgekomen in de Bombardon, het cultureel centrum van het Limburgse dorp Heythuysen. Tweehonderd leerkrachten en schoolleiders van scholengroep SPOLT hoorden hem spreken over de cultuur in veel Nederlandse lerarenkamers. “Gezellig is het er altijd wel,” stelde Stevens, “Dat hoor je leraren zeggen en dat zie je. Maar wie even blijft, merkt ook: het is er niet altijd ontspannen.” Want: is de sfeer ook open? Kun je praten met elkaar over je onderwijs, je bezorgdheden, je twijfels, je succeservaringen?

Hij heeft een hartstochtelijk pleidooi gehouden tégen terughoudendheid en vóór een cultuur van gezamenlijk leren, delen en vieren: ‘Helpen jullie elkaar, zijn jullie samen trots als iets goed gelukt is? Ik vraag op scholen weleens: “Wie van u heeft de afgelopen week meegemaakt dat een collega door een ander werd geprezen, en dan op zo’n manier dat iedereen het kon horen?” Leraren complimenteren elkaar niet zo veel. U kunt uw terughoudendheid beter loslaten. U komt dan sneller samen ter zake, het werk wordt er makkelijker van.’

‘Als u uw werk goed wilt doen, als u het beter wilt gaan doen – nog beter – dan is samenwerking voor de hand liggend. Dan is je collega je steunbron. Je hoeft je niet kwetsbaar te tonen, nee: je toont je open. Kwetsbaarheid wil ik graag vervangen door openheid. Kwetsbaar, raakbaar, ben je omdat jouw werk met de kinderen in de kern van je vereist dat je er helemaal bent, als mens. Maar juist dát – dat er volledig kunnen zijn –  vraagt ondersteuning en openheid van collega’s onder elkaar. De vraag die ik achter wil laten: heeft u een idee wat u betekent voor uw collega’s? Uw presentie, uw persoon – wat die betekenen voor de anderen in de lerarenkamer? Dat is een interessante vraag, ook om eens te stellen aan uw collega’s.’

Dan, als na het applaus de toehoorders naar een belendend gebouw gaan voor een eerste workshopronde en de zaal leeg achterblijft, schudt Stevens de hand van Gérard Zeegers, de nieuwe bestuursvoorzitter van SPOLT, en van Arno Gubbels, de man van wie Gérard het stokje overneemt en die vandaag zijn afscheid viert. Lucs vraag zoemt na: weet u wat u betekent voor uw collega’s? Gubbels’ pensionering wordt alvast in gezamenlijkheid gevierd met deze studiedag en hij weet dat hij actief wil blijven op vele fronten van zorg, onderwijs en welzijn in zijn gemeente. Stevens, met zijn 76 jaar een generatie ouder, luistert toe. Het pedagogische instituut NIVOZ dat hij op zijn 61e oprichtte mag aansporing genoeg zijn.

Ondanks zijn energie, ondanks het vuur in zijn betoog, ondanks het moeiteloos trotseren van dit vroege uur waarvoor hij – als een handelsreiziger in pedagogische bemoediging – de nacht heeft doorgebracht in het hotel op het dorpsplein, gaat ook Luc Stevens een stap terug doen. Dit voorjaar geeft hij zijn positie als wetenschappelijk directeur van NIVOZ door aan de Open Universiteit-hoogleraar Rob Martens. Maar nu schakelt hij snel door: Luc schenkt nog een koffie in en neemt plaats in de foyer voor een interview.

Luc, je verliet in 2002 je positie als hoogleraar orthopedagogiek aan de Universiteit Utrecht en vestigde al snel jouw instituut NIVOZ op Landgoed De Horst in Driebergen. Een nieuwe habitat, weg van het centrum, aan de marges van de Randstad en de universitaire wereld. Hoe bepalend is een werkomgeving voor jou?

‘Sfeer is voor mij heel bepalend. Ik vind het heel belangrijk dat de opdracht die ik mezelf stel of de verantwoordelijkheid die ik voel, niet door anderen voor mij wordt ingevuld. Dat werd wel gedaan op het moment dat de universiteiten zich in de late jaren negentig begonnen te organiseren in onderzoeksscholen. Dat was een politiek-economische operatie. Nederland moest zich internationaal op kwaliteit gaan onderscheiden, wilde dat talent zich ging concentreren. Dat werd aan de universiteiten overgelaten. Dan ontstaan er machtsstructuren waar ik niet van gediend ben.’

Bood een plek buiten de academische wereld letterlijk meer ademruimte?

‘Ik heb mijn medewerkers gestimuleerd om mee te gaan in de verandering die gaande was, maar zelf zat ik richting het einde van mijn academische carrière en had meer opties. Gisteren was ik nog op een universiteit en daar hoor je hoe hoogleraren en docenten zich aanpassen aan de omstandigheden. Ze vinden heus hun eigen weg wel, maar het is een plek geworden van weinig zuurstof. In het algemeen klagen hoogleraren niet – ze hebben een prachtbaan – maar iedereen is op een noodrantsoen gezet: medewerkers, docenten, onderzoekers. Je gedraagt je, je past je aan of je vertrekt. Gelukkig was ik op een afdeling waar mijn collega en ik heel hartelijk ontvangen werden: een vakgroep filosofie waar een hechte kring van docenten is en waar mensen echt om elkaar geven.

Maar goed, dat zijn zijwegen. Wat ik wil zeggen: ik houd van de dialoog. Ik trek me op aan anderen en hun ideeën. Je zult mij altijd met boeken, met bronnen zien. Ik ben niet zo begaafd dat ik alles alleen kan. Mét anderen kan ik een onderscheid maken. Maar mijn onafhankelijkheid is me alles waard. Bijna alles.’

En die onafhankelijkheid bood De Baak, als ‘kennislandschap’ in Driebergen.

‘Zeker. De toenmalige Baak-directeur Harry Starren was bijna het symbool van een onafhankelijk denker. Toch nam ik ook mijn academische standaarden mee. De universiteit laat mij niet onverschillig, in haar idealen van kritisch en systematisch denken, onderzoeken, reflecteren. Die idealen houd ik hoog; van de hedendaagse praktische invulling op de universiteiten distantieer ik me liever.’

Maakt het uit dat het landgoed in Driebergen een plek met veel groen is?

‘Ja. Het is er mooi. Het is een place of relief. Zo heb ik het altijd bedoeld. De mensen die er komen moeten ervaren dat er aandacht voor ze is. Ze moeten er even kunnen loslaten en bij zichzelf kunnen zijn. Dat De Baak met zijn moderne, in het landschap opgaande gebouwen ook veel comfort biedt, is daaraan dienend. Zeker voor mensen in het onderwijs, want die zijn over het algemeen weinig comfort gewend. Een goede kop koffie, de ruimtes, het kunnen weglopen in het groen, de goede gedachtes die je er voor jezelf kunt ontwikkelen. Ik hoop dat het mensen soms gelukt is om die sfeer weer mee terug naar hun scholen te nemen.’

Zojuist had je het over je bronnen. Vaak laat jij het woord ‘mensbeeld’ vallen. Daarmee raakt het gesprek vaak aan een ‘bedding’ van diepste overtuigingen van de gespreksdeelnemers. Is dat je bedoeling?

Das Menschenbild was een gangbare term toen ik studeerde. Ik denk dat ik dan zoek naar congruentie tussen de beelden die ik en een ander hebben. Daar moet je het over hebben. In zekere zin moet je die mensbeelden slijpen, polijsten en verdiepen aan elkaar, met kritische vragen. Het maakt heel veel uit of jij denkt dat ontwikkeling plaatsvindt op basis van actie-reactie of dat je denkt dat we ons vanuit intrinsieke motivatie tot onze wereld en omgeving te verstaan hebben. Dat tweede betekent dat je jezelf als subject ziet, dat je actor wordt. Pas las ik een artikel van natuurkundedocent Dick van der Wateren, die zijn leerlingen sterk benadert vanuit zijn eigen hang naar autonomie. Uiteraard ben je altijd verbonden en afhankelijk van anderen, maar als je in staat bent om ook met een autonome blik in het leven te staan, kun je er werkelijk zijn voor een ander. Je bent dan geen afgeleide van een systeem, je bent dan niet alleen maar ‘in functie’ als leraar, maar je bent er helemaal. Wat Dick van der Wateren daar liet zien, vind ik getuigen van een ontwikkeld mensbeeld. En dat is wat ik verwacht van een professional.’

Hoe zou jij jouw mensbeeld kenschetsen?

‘Ieder mens is afhankelijk van zijn eigen biografie, van wat je hebt meegemaakt, van wie je ontmoet hebt in je leven, van wat je overkomen is en waarvoor je gekozen hebt. In ons beroep van leraar is het belangrijk dat we iets weten over de menselijke natuur. Mijn pedagogische mensbeeld is er een van kansen bieden aan kinderen. Alleen al je presentie is belangrijk. Je kinderen zijn op jou aangewezen om kennis te maken met de wereld. Ik zeg Gert Biesta na, als ik stel dat jij – als leraar, als opvoeder – hen kunt uitnodigen in die wereld. Je kunt hen wijzen op wat er is en wat ze nog niet kennen, maar wel mogen verkennen. Mijn mensbeeld vertelt me dat ieder kind is toegerust voor zijn eigen ontwikkeling. Een kind voert zijn eigen ontwikkeling uit, maar wel geholpen door volwassenen en andere kinderen om dat kind heen. Vanuit de hechtingstheorie gaat het erom dat een kind veilig verbonden raakt aan zijn ouders en verzorgers, om – met het vertrouwen dat het van hen krijgt – vervolgens zich los te maken en onafhankelijk van hen te worden in zijn denken en voelen. Zelfvertrouwen gebouwd op de ervaring van gekregen vertrouwen, onafhankelijkheid geboren uit liefdevolle zorgzaamheid.’

Ik hoor je de woorden ‘menselijke natuur’ in de mond nemen. Bestaat er zoiets als een menselijke natuur?

‘Dat vind ik moeilijk. Dan heb je het over een natuur die de mens onderscheidt van de mensachtigen, de homoniden. Ik heb moeite met een strikt doorlopende lijn van de homoniden naar de mens. Met andere woorden: ik zou willen pleiten voor een typisch menselijke natuur, maar dan meer bij wijze van mogelijkheid. In de kansen die we als mensen hebben, bij ons dragen en niet altijd benutten. Ons bewustzijn – de kwaliteit van bewustzijn en de mogelijkheden en grenzen ervan – intrigeert me. Je hebt het goede gebruik van meditatie, bijvoorbeeld. Zelf vind ik dat een heel moeilijke bezigheid. Maar in de ervaringen die daarin opgedaan worden, klinkt soms een hoger bewustzijn door. Ik heb de overtuiging van een werkelijkheid die bestaat en die wij niet kennen. De bekende priester Antoine Bodar – die zeker niet mijn vriend is in zijn conservatisme – heeft eens gezegd: ‘Ik heb niet het laatste woord’. Dat ervaar ik ook zo. Dat diepe besef geeft een mogelijkheid om te zeggen: wie ben ik nou helemaal? Laat ik mijn pretenties nog eens onderzoeken. Dat is een gezonde houding voor iedere pedagoog, iedere opvoeder: jezelf de kritische vraag stellen, welke pretenties mag ik hebben? In hoeverre mag ik me begeven in de ruimte van de kinderen in mijn groep? Dat houdt voor mij respect in.’

Interessant: enerzijds duid je op een bewustzijn dat groter zou kunnen zijn dan wij in ons dagelijks leven aanspreken, anderzijds geeft het je een ervaring van nederigheid.

‘Ja, maar het menselijk tekort is ook zo evident, zo groot. We zijn sowieso beperkt. En we doen ook niet al te veel moeite om het kleiner te maken. Maar als je beseft wat we zouden kunnen en wat niet lukt en waarom niet, dan is dat een aansporing om telkens opnieuw te beginnen.’

Wat heeft vijftien jaar NIVOZ betekend? Wat is er gelukt? Wat is er blijven liggen?

‘Aan het einde van mijn loopbaan op de universiteit heb ik met Kees van der Wolf een artikel geschreven over kennisproductie in de orthopedagogiek. Ik wilde nog één keer voluit gaan. We kaartten het probleem aan van de afstand tussen theorie en praktijk, tussen het praktische handelen en het denken, de theorievorming. In het werk van NIVOZ hebben we het handelen centraal gekregen, met vallen en opstaan, maar langs een heel natuurlijke weg. Bij NIVOZ hoor je: ‘het handelen is de centrale categorie van ons menselijk bestaan. De mens is eerst een handelend en in tweede instantie pas een kennend wezen.’ Het werk van de bioloog en neurowetenschapper Francisco Varela heeft me daarin erg geholpen. Als je het handelen vooropstelt en het gaat om tactvol, in het moment, het goede doen, ben je dicht bij de leraar in haar klas, bij haar leefwereld en haar verantwoordelijkheden. Niet dat we er daarmee al zijn – methodologisch en thematisch blijven we zoekend. Ons pedagogische tact-begrip hebben we tot nu toe vooral relationeel ingevuld, maar hier spreekt vooral ook de context, de verschijnende wereld, de potentiële leerstof die opkomt uit het moment. Het lijkt me een gelegenheid waar didactiek en pedagogiek elkaar vinden.’

Wat zie je als de doorlopende opdracht van het NIVOZ voor de komende tijd?

‘Ik denk en hoop dat het NIVOZ voelt als een plek die de onderwijswerkelijkheid van de leraar nabij is. Ik heb me het NIVOZ altijd als een pedagogische universiteit voorgesteld, zoals ze in Oost-Europa bestaan. Een samenleving die zijn onderwijs serieus neemt, heeft een centrum voor onderwijspedagogische reflectie nodig. Er ligt een doorlopende opdracht om het kritisch zelfvertrouwen van de leraar te bevorderen, hem of haar te sterken in de pedagogische opdracht die voorligt. Dat heeft een persoonlijke en een academische component, die ik zie samengaan. Ik kan me de angst voor het academische, die veel leraren voelen, voorstellen. Maar zoals wij het presenteren is het aangenaam en toegankelijk. Je moet denken en doen bij elkaar houden.’


NIVOZ besteedt vanzelfsprekend extra aandacht aan het terugtreden van Luc Stevens als wetenschappelijk directeur. Eerst is er op dinsdag 6 maart een minisymposium rondom de vraag: ‘Wat houdt de boel bij elkaar?’ Met Joseph Kessels, de Noorse pedagoge Toni Saeve en Gert Biesta zijn er drie hoogleraren die zich hierover uitspreken. Gabrielle Taus, algemeen directeur, leidt de avond in. 

Op dinsdag 13 maart is er een Onderwijsavond, waarin eerst de documentaire ‘Het kan beter’ wordt vertoond. Deze is speciaal gemaakt over en voor Luc Stevens. De regie was in handen van Fifi Visser, camerawerk is van Gijs Haak. Daarna gaat Ellen Emonds in gesprek met Luc en is er een vraaggesprek met de zaal. Nickel van der Vorm leidt de avond in.

Om u beter van dienst te zijn, maakt hetkind.org gebruik van cookies » Meer informatie