inspiratie, legitimatie en verbinding
Deze website wordt inmiddels elke maand meer dan 150.000 keer bezocht! De verhalen komen van leraren, schoolleiders, bestuurders, ouders/opvoeders en onderwijsbetrokkenen zelf.
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

profiel

Annonay Andersson


Annonay Andersson
Bekijk mijn profiel

Rob Martens


Rob-Martens
Bekijk mijn profiel

Stemming van hetkind
twitter

Onderwijsavonden Driebergen -> leraren sterken bij uitvoering van hun pedagogische opdracht. Zoals @ellenvos Binnen… twitter.com/i/web/status/8…

Ongeveer 7 uur geleden op hetkind's Twitter via Twitter for iPhone

facebook
Rob Martens legt link tussen iPad-scholen en motivatietheorie

3 december 2013

Annonay Andersson

Hetkind-themalogo-onderwijsavondICT als middel. Om leerlingen te voorzien in de psychologische basisbehoefte: de behoefte aan relatie, competentie en autonomie. Op een Onderwijsavond in Driebergen neemt Rob Martens zijn toehoorders mee in de wereld van SteveJobsScholen,  langs de traditionele toepassing van ICT in onderwijs naar nieuwe  mogelijkheden en te ontginnen terrein. Als hoogleraar onderwijspsychologie aan de Open Universiteit legt hij om te beginnen de link naar de motivatietheorie van Ryan en Deci, fundamentele wortels van goed, pedagogisch verantwoord onderwijs.  Een bijdrage van Annonay Andersson.

Rob Martens stapt deze decemberavond niet met één waarheid theater Maitland in. Hij bespreekt het gebruik van ICT vanuit verschillende perspectieven en staat meer dan open voor opmerkingen en het debat. Als ruim denker start hij stellig:

‘Deze uitvinding (het internet) gaat meer impact hebben dan de uitvinding van de boekdrukkunst. Ik denk dat we nog embryonaal zijn in Nederland op dit gebied. Wat ik daarbij wil opmerken is, gooi niet het kind met het badwater weg!’

Het Self-Determination Model (kortweg SDT model) van de onderzoekers Deci en Ryan geeft wat Martens betreft een kader om de technologische ontwikkelingen in relatie tot de betekenis en toepassingen naar onderwijs (en kinderen) te duiden. Het is een evolutionair, psychologisch kader, zoals hij zelf zegt: ‘Immers, ons DNA is hetzelfde als 30.000 jaar geleden,’ zo licht hij een eerste tipje van de sluier op.

Martens kwam tot inzichten  toen hij in Spanje rotstekeningen zag van 20.000 jaar geleden, een life-changing ervaring. Hij zag dat de tekenaars op dezelfde manier hebben gedacht als hij. ‘Het SDT-model stelt dat mensen intrinsiek gemotiveerd zijn om te leren, waardoor ze kunnen overleven. Volgens evolutionair psychologen gaat 20-30% van onze energie naar de hersenen, de mens is gemaakt om te leren. Met andere woorden: als we niet willen leren, zou dat heel raar zijn.’

Gelukkig wordt het idee dat een mens van nature intrinsiek gemotiveerd is, door veel onderwijshervormers erkend. De perceptie die een persoon ervaart van de mate van sociale verbondenheid (relatie), autonomie en competentie bepaalt in hoeverre iemand intrinsiek gemotiveerd is. Dat leidt op z’n beurt weer tot nieuwsgierigheid, samenwerking, inzet, diepgaand leren, creativiteit en ga zo maar door. Om te illustreren waarom de basisbehoeften ‘relatie, competentie en autonomie’ zo belangrijk zijn, noemt Martens dat in veel straffen één of meerdere van deze behoeften verwijderd (ontkoppeld) worden. In een gevangenis is men letterlijk vrijheid en autonomie kwijt, in strafkampen en door lopende-band-werk worden iemands kansen om zich ‘competent’ te voelen geminimaliseerd.

Relatie, competentie en autonomie in regeringsbeleid

Veel beleidsmaatregelen druisen volgens Martens in tegen de principes van het SDT-model. Zo was Diane Ravitch, een van de belangrijkste adviseurs van oud-president Bush, in eerste instantie een voorstander van het onderling met elkaar in competitie brengen van scholen en leraren. Er zouden toetsen moeten worden afgenomen om dit te stimuleren, zogenaamde high stakes tests die veel gevolgen hebben voor de leerling. Een beleid dat uitgaat van straffen en belonen. Na onderzoek is mevrouw Ravitch hiervan teruggekomen. Sterker, ze heeft een draai van 180 graden gemaakt. Het leidde tot een boek ‘The Death and Life of thé Great American School System’, waarin ze reconstrueert wat er gebeurde in het onderwijs waardoor haar geloof in het uitgezette beleid verdween.

Het SDT-model is volgens Martens zo alomtegenwoordig, dat  in veel grondwetten gelijksoortige principes worden geformuleerd. Denk aan het Franse liberté, egalité, fraternité. De aanname in het model is dat deze behoeften basic human needs zijn. Martens: ‘Er is geen cultuur waar mensen niet voor vrijheid willen strijden.’

Onderwijs en web 2.0

‘Als we kijken naar ons eigen onderwijs zien we dat het sterk lineair is, gestandaardiseerd en met veel toetsen. Een juiste interpretatie van het SDT-model maakt ons een gewaarschuwd mens. Als leerlingen gaan  leren uit angst voor een onvoldoende (en impliciet straf) en niet uit nieuwsgierigheid, gaan we een verkeerde kant op.’ Martens slaat ons vervolgens met wat cijfers om de oren. ‘Wist u dat een 18-jarige in Nederland gemiddeld al meer dan 4000 keer is getoetst?’

Hij nodigt iedereen uit om ‘door de oogwimpers heen’ te kijken naar wat er gebeurt op technologisch gebied.

Er gebeurt namelijk veel en de ontwikkelingen gaan snel, steeds sneller.  Zes jaar geleden hield hij zelf als onderwijspsycholoog een oratie over web 2.0. De termen die hij toen ten gehore bracht (onder andere social software, collective intelligence, cloud computing) leken toen uit een science fiction film gegrepen. ‘Nu’, voegt Martens toe, ‘zegt iedereen; “dat kan ik met een iPad”.’

De essentiële kenmerken van de nieuwe media hebben vooral met vrijheid te maken, vertelt Martens. Het is ook geen wonder, stelt hij vast, ‘dat alle dictaturen in de wereld een hekel hebben aan internet. Iedereen kan zelf bepalen wat hij opzoekt, waar hij naar kijkt, welke informatie hij aanbiedt.’ Internet volgens de hoogleraar tegemoet aan de behoeftes competentie en samenwerking. ‘Competentie heeft te maken met de bedienbaarheid: ICT en computers doen voor je wat je wilt. Relaties met anderen staan in het kader van de mondiale ontwikkeling: iedereen staat met elkaar in verbinding.’

Martens concludeert dat dit een revolutionaire verandering is ten opzichte van het ‘traditioneel’ boekgestuurde curriculum. ‘Haal het boek zoals wij dat kennen voor de geest. Dat is ingebed in onderwijs-met-eenrichtingsverkeer. Standaard toetsen doe je bij een standaard inhoud.’

Het traditionele onderwijs is onhoudbaar geworden, concludeert Martens. En dankzij de technologie kunnen we een nieuwe leersituatie scheppen, een context waarin het kind zelf steeds nadrukkelijker aan het stuur kan zitten. Natuurlijk zijn er nog veel vragen te beantwoorden. Hoort gamen ook thuis in onderwijssituaties? De vraag is dan: ‘Zijn kinderen gemotiveerd om te gamen, omdat ze een spel kunnen winnen? Ik denk het niet alleen. Gamen heeft ook alles te maken met intrinsieke motivatie. Binnen een spel ben je namelijk vrij om te experimenten. Het niveau past zich automatisch aan, je speelt op je eigen level, het is adaptief.’ Er past zelfs een evolutionaire verklaring bij. ‘Alle zoogdieren spelen ook. Ik zie gamen als oefenen in een situatie, waar je niet  afgerekend wordt.’

Martens gaat ook in op discussies rondom en de aannames over pubers. Hoezo kunnen deze jongeren slecht plannen? ‘Als je kijkt naar gamen, dan kunnen ze dat wel. Ze plannen alleen niet de dingen wij willen – huiswerk enzo.’

Martens maakt zijn toehoorders bewust van het beeld dat er nu heerst over internetgebruik door kinderen. Maar klopt dit wel? ‘Leren met ICT is op dit moment iets van ‘zoek het maar uit’. Dat is natuurlijk een karikatuur. Volwassenen denken dat er een verlies aan structuur plaatsvindt als leerlingen met ICT gaan werken, dat leerlingen alleen vieze sites bezoeken.’ Hij krijgt vaak vragen als: “Als je alle informatie bij elkaar googled, leer je dan nog wel iets? Kan je dan nog wel rekenen?”

Nieuwe technologie wordt in eerste instantie vaak heel traditioneel gebruikt. Martens noemt als voorbeeld het smartbord. Dat wordt  – nog steeds door een aantal docenten – gezien als een digitaal krijtbord. Structuur en autonomie zouden in het gebruik van ICT niet met elkaar te combineren zijn. Maar Martens spreekt van een schijntegenstelling. Hij heeft zelf meegewerkt aan promotieonderzoek waarin dat succesvol tot stand werd gebracht en leraren er succesvol in konden worden getraind.

SteveJobsScholen

Martens komt tot slot bij de Steve JobsScholen, waarvan er dit schooljaar een aantal is gestart. Hij kaart een aantal kernpunten aan die deze scholen centraal stellen: elk talent wordt gekend, combinatie van fysiek (schoolgebouw) en virtueel (internet), 21st century skills en community. Hij benoemt de pedagogische voordelen, de extra tijd en ruimte die benut kan worden voor een directer context en interactie tussen leraar en leerling en leeerlingen onderling.

Het verhaal van Martens roept veel vragen op, variërend van peilende vragen tot stevige stellingnames.

  • ‘Uit je verhaal maak ik op dat een iPad-structuur geeft, maar ik heb de mening dat het andersom is. Het maakt je afhankelijk. Als ik op een iPad iets wil doen, moet ik eerst een app installeren. Ik zeg dan overal ‘ja’ op, maar ik weet niet welke vrijheid ik daarmee opgeef.’
  • ‘Is een Steve JobsSchool nog wel een school, is het niet een leergemeenschap?’
  •  ‘Ik denk dat de Steve JobsScholen de sociale kant missen. Ik denk dat we juist meer leren in het sociale, dat toekomstige mensen hier meer aan hebben (dan aan iPads, red.)’
  • ‘Hoe kijkt u aan tegen de rol van de leerkracht, de schoolleider? Hoe kijkt u aan tegen de scholing van de leerkrachten?’
  • ‘Is het niet vooral belangrijk kinderen te leren dat ze niet afhankelijk zijn van ICT?’

Martens herkent een tendens die onderwijshervormers oproepen, altijd en overal: protest en veel vragen. Het gaat er volgens hem om, om de discussie terug te brengen op de kernvraag:  waar zijn  leerlingen intrinsiek gemotiveerd voor? ‘De nieuwste ontwikkelingen vraagt om een overheid die niet conservatief optreedt, maar ruimte durft te geven voor innovatie. Het sociale aspect is een van de pijlers van goed onderwijs. Dat mag nooit verloren gaan. Het feit dat je een aantal momenten van frontale interactie dankzij ict-toepassingen kan weghalen, maakt dat er nieuwe ruimte en/of tijd wordt gegenereerd. Die kun je anders gebruiken.’

Het laatste woord is aan Luc Stevens, die Martens heeft uitgenodigd. Hij vat een aantal wezenlijke discussiepunten samen.

‘De leerling in het model van Martens is een active learner. In dit model vult de leerling meer in dan bij het (traditionele) instructiemodel. Het model op zich is daar niet schuldig aan, wel de manier waarop we het gebruiken. Het is een evolutietheorie. Wij zijn als menselijk wezen absoluut aangewezen op uitnodiging. Dat is een contrapositie om je te leren ontwikkelen. Het SDT-schema laat dat mooi zien. We passen onszelf aan aan de drempels die we creëren. Het biedt gelijkt uitzicht op een oplossing, of althans een uitdaging die we gaan oppakken. Nu hebben we alleen maar problemen, Rob kijkt in termen van uitdagingen. Dan zijn er een heleboel bezwaren. Het huidige systeem verdraag je gemakkelijk, maar tegelijk toon je ook zorg. Deze is oprecht. Tegelijk weet je dat je er niet stil bij kunt staan. Die laconieke houding houdt je ook open om het werk dat gebeuren moet te zien.’

Annonay Andersson schreef deze bijdrage daags na Martens’ lezing op 12 december 2012 in theater Maitland in Driebergen.