inspiratie, legitimatie en verbinding
Deze website wordt inmiddels elke maand meer dan 150.000 keer bezocht! De verhalen komen van leraren, schoolleiders, bestuurders, ouders/opvoeders en onderwijsbetrokkenen zelf.
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

profiel

Jelmer Evers


Jelmer Evers
Bekijk mijn profiel

Stemming van hetkind
twitter

‘Wanneer zien we in dat kinderen veel meer oppikken dan wij denken?’ hetkind.org/?p=55597

Ongeveer 4 uur geleden op hetkind's Twitter via hetkind website

facebook
Proces van curriculumvernieuwing: ‘Om echt mooie dingen te doen, moet je risico’s nemen’ (Long read)

26 mei 2014

Jelmer Evers

Het is passend dat de Onderwijsraad in deze tijd van examens en Europese verkiezingen een belangrijk advies heeft uitgebracht om het curriculum te vernieuwen en om ‘het proces van vernieuwing’ ook te verbeteren. ‘Een noodzakelijk en goed initiatief,’ zo schrijft leraar en onderwijsvernieuwer Jelmer Evers op zijn nieuwste blog. De curricula in Nederland zijn immers fragmentarisch, weinig coherent en achterhaald. Maar het rapport laat ook kansen liggen, meent Evers. ‘De geboden oplossingen en analyse zijn te oppervlakkig en nog te 1.0.’ In dit artikel legt hij zijn analyse naast die van de Raad, komt hij tot aanbevelingen en stelt hij een wezenlijke vraag: ‘Hoe innovatief zijn de betrokken instanties zelf eigenlijk? Om echt mooie dingen te doen, moet je risico’s nemen.’

risk‘Een maatschappijwetenschappen toets [Examen, JE], één dag voor de Europese verkiezingen, zonder ook maar één vraag over Europa. Gemiste kans jongens!‘ zo tweette een leerling van me gisteren.

De Europese verkiezingen vonden vorige week woensdag plaats. Belangrijke verkiezingen, maar niet als je de opkomstpercentages bekijkt. Die zijn van oudsher al laag en de trend gaat naar beneden. Als je bij leerlingen begint over de EU, dan wordt er vaak gezucht en gesteund. Terwijl dit bij uitstek een onderwerp is wat er ook voor hen toe doet, zou moeten doen. We zitten immers midden in een economische crisis, enorme geo-politieke veranderingen, technologische disruptie, toenemende ongelijkheid en bijbehorend gevaar voor onze democratische samenleving. En zijn ze daarin geinteresseerd? Maken ze zich zorgen? Absoluut! Daar moeten we in het onderwijs wat mee.

Antwoorden hierop zullen met name in Europees verband moeten worden gevonden. En het vergt natuurlijk een multidisciplinaire aanpak. Het is ook niet zo dat Europa in vakken niet terugkomt, integendeel. Maar het zit wel in vaksilo’s zonder dat er vanuit verschillende lenzen, historisch, economisch, geografisch, sociologisch, etc naar wordt gekeken. Laat staan dat er iets zinnig op het examen wordt gevraagd.

Natuurlijk gebeurt er ook veel goeds op scholen, maar vakoverstijgend werken, aansluiten bij dit soort actuele thema’s op een structurele wijze vindt weinig plaats. Die voorbeelden zijn vaak ad hoc en bovenop het bestaande programma. En scholen die daadwerkelijk zo werken, zijn op net iets meer dan twee handen te tellen. Niet dat elke school dat perse moet, maar er kan veel meer.

Het is passend dat de Onderwijsraad in deze tijd van examens en Europese verkiezingen een belangrijk advies heeft uitgebracht om het curriculum te vernieuwen en om het proces van vernieuwing ook te verbeteren. Ten eerste is dit een noodzakelijk en goed initiatief. Zoals de Raad constateert zijn de curricula in Nederland fragmentarisch, weinig coherent en achterhaald. Daarnaast laat het rapport wel kansen liggen. De geboden oplossingen en analyse zijn wat mij betreft te  oppervlakkig en nog te 1.0.

averageDe Raad gaat ervan uit dat wat er onderwezen wordt op scholen niet meer voldoet aan de huidige tijd. Toenemende flexibilisering en automatisering zorgen ervoor dat de aard van werk fundamenteel aan het veranderen is. Een leven lang hetzelfde werk doen, is er niet meer bij, integendeel. Tyler Cowen in Average is over en Erik Brynjolfsson in The Second Machine Age beredeneren zelfs dat er in de toekomst meer banen verdwijnen dan erbij komen.

Geo-politiek vindt er ook een aardverschuiving plaats. Over twintig jaar zit geen enkele Europese economie meer in de top 10 BNP. Iedereen die denkt dat dit geen enorme politieke en maatschappelijke gevolgen zal hebben, houdt zichzelf voor de gek. Ongelijkheid neemt ook steeds verder toe in de Westerse wereld. In Capital in the 21st Century toont Thomas Piketty aan dat de toenemende gelijkheid in de twintigste eeuw wat dat betreft eerder een uitzondering is dan de regel. Water, olie, milieuververvuiling, klimaatverandering stellen de hele wereld als geheel voor enorme uitdagingen die ook alleen integraal kunnen worden aangepakt.

Als antwoord hierop zou het onderwijs moeten veranderen. We moeten bij onze kinderen, en onszelf,  de nadruk leggen op meer dan alleen maar de vakken die nu worden aangeboden. Daarbij wordt de term 21st Century Skills vaak gebruikt: probleemoplossend vermogen, kritisch denken, creativiteit, sociale vaardigheden, culturele sensitiviteit en digitale geletterdheid. Dat klinkt misschien bekend en dat is het ook. Die zogenaamde 21st Century Skills zijn op zich niet nieuw, vallen in hele lange traditie en zijn natuurlijk altijd al onderdeel geweest van het onderwijs.

Gedurende de afgelopen eeuw is er ook flink op los geëxperimenteerd, met name in de jaren ’70 stond het bol van nieuwe scholen en vormen van onderwijs. Denkers als John Dewey, Lev Vigotsky, Seymour Papert hebben al hier ook al heel veel wijze woorden aan gewijd. Een begrip als Deeper Learning vind ik in dit geval bruikbaarder. Het is dus zo dat een deel van deze vaardigheden uit het onderwijs verdwenen zijn en dat heeft meer te maken met de toenemende afrekencultuur in het onderwijs, zoals we dat in Het Alternatief beschreven hebben. Achteruit kijken is in dit proces even belangrijk als vooruit kijken.

Wat wel nieuw is, is de steeds grotere rol van (informatie) technologie en bijbehorende digitale vaardigheden. Die moeten wat mij betreft inderdaad een veel grotere rol in het curriculum krijgen. De zogeheten digital native bestaat niet en thuis zullen kinderen het ook vaak niet leren. Ouders zijn helaas zelf vaak ook digitaal ongeletterd. Ten slotte is het ook zaak te benadrukken dat kennis ineens niet meer nodig is. Vakinhoud blijft een integraal onderdeel van welk onderwijs dan ook. Omdat je dingen kunt Googlen betekent het niet dat je geen kennis nodig hebt om überhaupt te kunnen Googlen. Aan de andere kant is alleen maar stampwerk en veel kennisdichtheid in vaksilo’s ook geen goed onderwijs. Kennis en vaardigheden zijn allebei nodig. Maar ook voor taal en rekenen geldt: hoe meer dat in andere vakken integraal wordt gebruikt hoe beter. Transfer is sowieso een kernonderdeel van goed onderwijs.

Bron: Learning with E’s – Steve Wheeler

Basis nieuw curriculum

Dat er iets moet gebeuren is zeker waar. Maar we moeten waken dat de balans te sterk door slaat naar het kwalificerende domein van het onderwijs. Ook dit rapport bekijkt het onderwijs met een economische blik, de nadruk ligt met name op employability. Met zorgen om vaardigheden voor de werkvloer en werkgelegenheid is niets mis – en dat moet ook gezien de uitdagingen, maar er bestaat wel het gevaar dat de balans weer doorslaat naar puur dat aspect. Maatschappelijke problemen worden benoemd en ook dat ‘vakoverstijgend denken’ daarin cruciaal is. Maar deze ‘socialisatie’ lijkt op tweede plan en over ‘persoonsvorming’ als doel an zich (subjectivering) wordt weinig gezegd. Uit het rapport:

“Ten eerste de (denk)vaardigheden die nodig zijn om succesvol deel te kunnen nemen aan de huidige (kennis)samenleving, zoals ict-geletterdheid, probleemoplossend vermogen, kritisch denken, creativiteit. Ten tweede sociale competenties zoals samenwerking, communicatie, sociale vaardigheden en culturele sensitiviteit. Ten derde metacognitie, de kennis van het eigen cognitief functioneren en de vaardigheid om het eigen leren ook te kunnen sturen.”

Hier ligt duidelijk de nadruk op domeinen van kwalificatie en socialisatie. ‘Leren ten dienste van de maatschappij’ en niet om die wereld vanuit je eigen ik te begrijpen en vorm te geven. De laatste jaren is er steeds breder, ook internationaal, geconstateerd dat juist het domein van de persoonsvorming in het geding is gekomen door een veel te grote nadruk op bijvoorbeeld onderzoeken als PISA. Juist ook door aandacht te besteden aan de rol het individu op zichzelf, maakt vooruitgang in de andere twee domeinen mogelijk. Daartegenover staat dat een te beperkt uitgangspunt in het DNA van het curriculum terechtkomt, waarbij het vanaf het begin al de verkeerde kant op gaat.

 

UniC bovenbouw curriculum Maatschappijvakken

UniC bovenbouw curriculum Maatschappijvakken

Curriculumvernieuwing

De Onderwijsraad gebruikt het model van verschillende niveaus van curriculumontwikkeling:

  • Het formele curriculum: het wettelijk vastgelegde curriculum, zoals kerndoelen, eindtermen en kwalificatiedossiers.
  • Het uitgewerkte curriculum: het curriculum zoals het vertaald wordt in de praktijk. Dit kan zijn in leermethoden, toetsen of andere leerinstrumenten.
  • Het uitgevoerde curriculum: het curriculum zoals het uitgevoerd wordt door de docent in de klas.
  • Het gepercipieerde curriculum: het curriculum zoals dat waargenomen wordt door de leraar.
  • Het gerealiseerde curriculum: het curriculum zoals dat uit resultaten van bijvoorbeeld toetsen blijkt.

Curriculumvernieuwing moet met name plaats vinden op schoolniveau. Daar gebeurt het uiteindelijk. Waarbij de overheid de contouren vaststelt en scholen de vrijheid geeft om verschillende onderwijsvisies te implementeren. Dit is van oudsher een sterk punt in het Nederlandse  onderwijssysteem. Daar borduurt de Onderwijsraad op voort. Die ruimte moet blijven, maar de centrale regie die er al is, moet beter gecoördineerd worden.

Vanuit mijn werk als leraar op UniC in Utrecht kan ik zeggen dat het Nederlandse curriculum als geheel inderdaad erg rommelig is. Vernieuwingen worden per vak ingezet en elk vak kiest ervoor om bepaalde vaardigheden in zijn eigen woorden weer te geven. Zo is er natuurlijk heel veel overlap tussen geschiedenis, aardrijkskunde, economie en maatschappijwetenschappen, maar daar is in de teksten niets van terug te vinden.  Op UniC geven we deze vakken ook in de bovenbouw vakoverstijgend in challenges waarin we behalve de Deeper Learning Skills, ook vakinhoud en kennis aan elkaar koppelen. Dat doen we altijd vanuit de schoolvisie: eigenheid, verbondenheid en autonomie. Bij ons ligt de nadruk meer op persoonsvorming.

Er kan dus heel veel binnen het huidige systeem, maar dat is meer ondanks de landelijke curricula. Bepaalde vaardigheden worden in syllabi van de Tweede Fase steeds net weer anders beschreven. Daar mag inderdaad meer samenhang in komen, in nauwe samenwerking met het veld.  Vakken worden onafhankelijk van elkaar ontwikkeld door een te kleine groep mensen en het is terecht dat de Onderwijsraad adviseert om dit te stroomlijnen.

Inhoudelijk gezien ben ik redelijk tevreden met het geschiedenis curriculum. Ik zou voor meer Wereldgeschiedenis kiezen in plaats van de nauwe nadruk op Westerse en Nederlandse geschiedenis. Maar niets staat mij als docent en ons als docententeam in de weg om die vakinhoud in te passen. Evenals digitale geletterdheid en andere vaardigheden. Zoals gezegd is het gebrek aan meta-vaardigheden in het curriculum wel een handicap die ik ook in de praktijk tegenkom. Wat dat betreft is het een goed voorstel van de Onderwijsraad om overeenkomende vaardigheden tussen vakken meer synchroon te maken en een meta-curriculum te ontwikkelen om scholen de aanzet te geven om hun eigen curriculum te vernieuwen. Dat meta-curriculum zou ik wel optioneel maken en voorlopig, eventueel, alleen opnemen in het schoolexamen. Centraal examineren past niet bij de vaardigheden en de specifieke invulling kan alleen op scholen gebeuren. Docentteams zullen daar zelf invulling aan moeten geven. Dat kan tradtioneel zijn, of progressief. Je kunt daar leerlingen en ouders bij betrekken, of niet. Dat is namelijk al het begin van pedagogisch/didactische keuzes die op schoolniveau liggen.

Inhoudelijk blijft de Onderwijsraad wel in gebreke. Van een rapport als deze had ik meer cutting edge voorbeelden verwacht. Niet dat de voorbeelden niet goed zijn, integendeel, op het Montaigne Lyceum in Den Haag wordt op een vergelijkbare manier gewerkt als op UniC. Maar het zou goed zijn geweest om hier meer specifieke voorbeelden te benoemen om belanghebbenden en het algemene publiek een beeld te geven van de mogelijkheden. Het projectmatig onderwijs, waar wij ook mee werken, is lang niet het enige model waarmee je je curriculum kan vernieuwen.

Er zijn een aantal grote ontwikkelingen die het didactisch/pedagogisch van docententeams al enorm vergroten. De Maker Movement en een Maker Space geeft de leerlingen een speeltuin, een vrijplaats om ontdekkend te leren en digitale vaardigheden op te doen. Blended Learning in een 1 op 1 device omgeving maakt het mogelijk om je eigen Personal Learning Environment te ontwikkelen, waarbij techische tools als een digitale vaardigheid als cureren wordt aangeleerd. Wat ook weer een diepgaande reflectie op het leerproces stimuleert. Via Game Based Learning kun je natuurkunde (portal) of geschiedenis (civilization) simuleren om bijvoorbeeld hypotheses te testen. Massive Open Online Courses (MOOCs) geven je de mogelijkheid om een enorme hoeveelheid vakken en onderwerpen op universitair niveau je school binnen te halen. Al deze ontwikkelingen maken het alleen maar makkelijker om digital literacy te implementeren en een flexibeler curriculum mogelijk te maken.

Organisatie

Dat de docent centraal staat en dat scholen het samen moeten doen is de afgelopen jaren wel vaker voorbij gekomen. Cruciaal is hoe dit wordt ingevuld. Daar is de Raad helaas niet specifiek genoeg over. Obstakels worden wel benoemd, maar te oppervlakkig en er missen cruciale elementen. Een nieuw college is ook geen goed idee in de brij van raden en colleges die we al hebben. Ten slotte moeten we niet uitgaan van schotten tussen ontwikkelen van curricula, leren van docenten en het onderzoek/borgen van resultaten. Dat vergt een integraal proces van ontwikkelgemeenschappen van scholen en docenten.

De rol van examens wordt compleet buiten beschouwing gelaten. Dat is vreemd, het is juist de koppeling van het Centraal Schriftelijk Examen (CE) en het Schoolexamen (SE) dat een een enorme sturende werking heeft in het curriculum op schoolniveau. De inspectie stuurt zwaar op deze punten en via rankings in de pers wordt die tendens alleen maar versterkt. Angst en de bijbehorende afrekencultuur zijn van grote invloed en leidt tot Teaching to the Test. Zo bleek ook uit de alarmbel die Levende Talen (de beroepsgroep!) liet horen via hun onderzoek naar dit probleem.

Waarom wel acountability als probleem benoemen in algemene zin, maar niet expliciet CE-SE, lijstjes en het inspectieregime?

Daarnaast wordt het gebrek aan tijd benoemd, maar geen concrete oplossing, ook niet in eerdere rapporten. Het is simpel, de onderwijstijd en lestijd moeten verminderd worden. Meer lesgeven leidt sowieso niet perse tot betere resultaten, kwalitatief betere lessen wel. De huidige vermindering van de lestijd met een uur en de vermindering en ontschotting van de onderwijstijd zijn niet meer dan een eerste stap. Dat had de aanbeveling moeten zijn.

Curriculumvernieuwing is tot op heden een weinig transparant proces, waarin een klein aantal organisaties, bijvoorbeeld het SLO, en mensen een rol spelen. Samenwerking en het breder betrekken van vakdocenten via vakorganisaties is in deze cruciaal en daar moet veel zwaarder worden ingezet. Het gevaar van topdown organiseren blijft ook hier aanwezig. In de VS is die fout gemaakt bij het ontwerpen en invoeren van de  Common Core Standards (CCS), een nationaal curriculum in het federale Amerika. Ook hier zouden docenten op papier een veel grotere rol krijgen. In de praktijk werden docenten nauwelijks gehoord, waardoor het curriculum ten eerste ernstig in gebreke is gebleken en ten tweede dat er nu een enorme backlash plaatsvindt tegen die CCS.

Docenten moeten een grote rol krijgen in dit proces en we hebben in de Onderwijscoöperatie al een platform waar vakorganisaties met elkaar overleggen. Dat zou de spil moeten worden van curriculumvernieuwing, en niet weer een nieuw college of raad. Deze nieuwe bevoegdheid zou het aanzien en de positie van de Onderwijscoöperatie aanzienlijk versterken en de verantwoordelijkheid zou ook daadwerkelijk bij de beroepsgroep liggen. Natuurlijk worden in dit proces ook de wetenschap, kunsten, het bedrijfsleven, ouderorganisaties en dergelijke betrokken. Maar laat de coördinatie hiervan bij de Coöperatie liggen. Dat zou in nauwe samenwerking met het College van Examens (CvE), dat ook niet wordt genoemd, moeten gebeuren. Of het CvE kan worden omgevormd tot een College van Examens en Curriculumontwikkeling.

Een derde cruciaal punt zijn de schotten tussen ontwikkelen, leren (nascholing) en borging. Dat moet juist niet gescheiden blijven. Docenten en scholen moeten met elkaar ontwikkelen, alleen op die manier ontwikkelen docenten juist de vaardigheden en een diepe kennis van het curriculum om het aan de leerlingen te kunnen overbrengen. In dat proces hoort ook dat je analyseert hoe het gaat en dat je op die manier constante verbetering toepast. Dat biedt een kwaliteitsborging en lerend vermogen dat alle huidige inspectiekaders ver te boven gaat. Dus niet apart nascholing ontwikkelen, een aparte ontwikkelclub en er weer een onderzoek door universiteiten naar doen dat in bureaula’s verdwijnt.
Het is de taak van zeg een tiental gelijkgestemde scholen (wederom op een schaal van traditioneel tot progressief) die gezamenlijk dit proces ingaan en hierin in alle opzichten leidend in zijn. Deze vormen van organisatie komen bijvoorbeeld uitgebreid aan bod in het werk van Hargreaves en Fullan (Professional Capital en Stratosphere). Ontwikkelen, leren, onderzoeken en delen vormen een geheel.

Kennisgemeenschappen zijn dus een goed idee. Maar ik zou het ontwerp (design) gemeenschappen noemen. Maar ook hier valt of staat het me de invulling. Waar is The Crowd in het rapport? Stichting leerKRACHT, Twitter chats, Edcamp, etc. ? Waarom worden alleen een tot nu toe achterhaald en mislukt initiatief als Wikiwijs genoemd?

Het ontwikkelen moet echt een open proces zijn, met constante iteraties vanuit het veld. Het zou vergelijkbaar moeten zijn met ontwikkelen van open source software. Waarbij een platform als Github als voorbeeld kan dienen. Niet alleen een periodieke herijking. Nee, het moet een permanente openbare beta zijn. Waarbij de oplevering van een nieuw curriculum steeds als nieuwe mijlpaal dient.  Zie wederom de  analogie met de software wereld. Die mijlpalen zou ik om de drie jaar doen, in plaats van vijf.

Van docenten mag worden verwacht dat ze deze ontwikkelingen blijven volgen en bij voorkeur er ook aan bijdragen. Zo kan niemand meer zeggen dat ze verrast worden door de zoveelste vernieuwing. Waarbij het ook zo zal zijn dat die vernieuwing niet heel rigoureus zal zijn, zoals nu soms het geval is. Dezelfde methodiek met bijbehorend platform op nationaal niveau kunnen dan ook door de ontwikkelgemeenschappen op lokaal niveau worden gebruikt, waarbij verschillende forks ontstaan die onder een Creative Commons licentie worden gedeeld. (Wikiwijs zou overigens dat platform kunnen zijn)

Het is van belang dat gekeken wordt hoe deze gemeenschappen gefaciliteerd gaan worden. Ik heb op meerdere plekken al gepleit voor een substantiele innovatiepot voor docenten, scholen en ontwikkelgemeenschappen. Laat dat dus niet meer via allerlei platforms naar dit niveau toevloeien, maar stel de ontwikkelgemeenschappen gelijk in staat om toegang tot fondsen te krijgen. Waarbij ze aan een aantal criteria (ontwikkelen, leren, borgen, delen) moeten voldoen. Zonder dat hiervoor weer een accountability systeem wordt opgetuigd waar alle tijd, geld en energie aan opgaat. Ontwikkelen is risico nemen.

Als laatste wil ik een cruciaal punt benadrukken. Alhoewel de Onderwijsraad  een aantal punten goed benoemd, is precies die netwerksamenleving die gepropageerd wordt, niet terug te vinden in het ontwikkelen van het curriculum. Het lijkt nog steeds top-down met weer een nieuw instituut (nieuw college), ondanks de gebezigde taal. Dat lijkt triviaal, maar het modelling principe is hier ook van cruciaal belang. Practice what you preach. Alleen op die manier komt het ook in het DNA van het nieuwe curriculum. De analyse van het probleem en de oplossingen gaan niet ver genoeg, want het systeem zelf is gedeeltelijk het probleem. Daarbij dringt zich steeds de vraag op: Hoe innovatief zijn de betrokken instanties zelf eigenlijk?

Conclusie

Desaltnietemin ben ik erg blij met dit rapport. De overheid bepaalt in algemene zin het Wat en we gaan op scholen aan de slag met het Hoe. Het is de aanzet voor een noodzakelijk debat en een handreiking van de Raad die we zelf  moeten oppakken en invullen. Ideeën en initiatieven genoeg lijkt me. Het zou fantastisch zijn als we dit gelijk oppakken en dat degenen die dat willen hiermee meteen aan de slag kunnen. Ik wil wel met een aantal gelijkgestemde scholen. In plaats van een nationaal debat en nieuwe instituties moeten we gewoon gaan doen en met zijn allen leren. Laten we het goede voorbeeld geven aan onze leerlingen door te laten zien dat om echt mooie dingen te doen, je risico’s moet nemen.

Dit is innovatie, we zullen leren, we zullen falen, maar uiteindelijk zal ons onderwijs er zo veel mooier en beter uitkomen.

  • Fullan, M. (2012). Stratosphere: Integrating Technology, Pedagogy, and Change Knowledge [Paperback] (p. 100). Pearson; 1 edition.
  • Hargreaves, A., & Fullan, M. (2012). Professional Capital: Transforming Teaching in Every School [Paperback] (p. 240). Teachers College Press; 1 edition.
  • Onderwijsraad. (2014). Een eigentijds curriculum. Den Haag.

Jelmer Evers is docent geschiedenis op UniC, een VO-school in Utrecht, samensteller van HET Alternatief en veelgevraagd spreker op nationale en internationale podia t.a.v. onderwijsvernieuwing. Lees meer op zijn eigen blog.