inspiratie, legitimatie en verbinding
Deze website wordt inmiddels elke maand meer dan 150.000 keer bezocht! De verhalen komen van leraren, schoolleiders, bestuurders, ouders/opvoeders en onderwijsbetrokkenen zelf.
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

profiel

Rikie van Blijswijk


Rikie van Blijswijk
Bekijk mijn profiel

Stemming van hetkind
twitter

Echt niet alles is oké in de klas van juf Kiet. --> opinie van @teadoek in Parool #tegengeluid parool.nl/opinie/-echt-n…

Ongeveer 4 minuten geleden op hetkind's Twitter via Twitter for iPhone

facebook
Over het werk van Jos Kessels: ‘De morele en organisatorische werkelijkheid’

18 mei 2015

Rikie van Blijswijk

‘In de pedagogiek geldt de wet van “generalisatie van aversie”: een leerling die steeds kritiek krijgt, krijgt niet alleen een hekel aan de kritiekgever, de docent, maar ook aan het vak, de klas, de school en uiteindelijk aan zichzelf. Om het omgekeerde proces in gang te zetten, generalisatie van affectie, moet een leerling gesteund worden en bevestigd ondanks de fouten die hij maakt’, aldus Jos Kessels. Volgens hem blijkt onze samenleving nauwelijks te kunnen voldoen aan de voorwaarden die nodig zijn om een dialoog aan te gaan. Rikie van Blijswijk maakte een portret van zijn werk in deze reeks ‘Over het werk’.

‘Over het werk’ is een serie portretten van onderwijswetenschappers, waarin de essentie en de legitimatie van goede onderwijspraktijk wordt geschetst via kernbegrippen, definities en eerder gepubliceerd werk. In deze aflevering Jos Kessels: ‘De morele en organisatorische werkelijkheid’.

Dit is  een aflevering in een serie  portretten van wetenschappers die Rikie van Blijswijk heeft gemaakt. Eerder verschenen er  afleveringen ‘Over het werk’ van:

Otto Scharmer: Theorie U
Deci en Ryan: Motivatie
Ferre Laevers: Perspectief van de ander innemen
Luc Stevens: De behoefte aan relatie, competentie en autonomie|
Weiner en Dweck: Attributietheorie
Marianne Riksen-Walraven: Verbondenheid/gehechtheid
Geert Kelchtermans: Professionele biografie 

Kessels: De morele en organisatorische werkelijkheid

De dialoog als een reflectief of onderzoekend gesprek naar de intenties van de leraar en de leerling; naar hun overwegingen, hun twijfels, hun beslissingen, hun waarderingen.

‘In de pedagogiek geldt de wet van “generalisatie van aversie”: een leerling die steeds kritiek krijgt, krijgt niet alleen een hekel aan de kritiekgever, de docent, maar ook aan het vak, de klas, de school en uiteindelijk aan zichzelf. Om het omgekeerde proces in gang te zetten, generalisatie van affectie, moet een leerling gesteund worden en bevestigd ondanks de fouten die hij maakt. Alleen zo kweek je mensen die iets met elkaar te maken willen hebben.‘ (Uit: Het poëtisch argument, p.214)

Die bevestiging en ondersteuning worden volgens auteur, filosoof en Socrateskenner, Jos Kessels, gediend door de dialoog. Alle voorvallen en situaties in scholen, bedrijven en andere organisaties in zijn boek Het poëtisch argument scharnieren rond de socratische dialoog. In het geval van de school, de dialoog als een reflectief of onderzoekend gesprek naar de intenties van de leraar en de leerling; naar hun overwegingen, hun twijfels, hun beslissingen, hun waarderingen.
In een echte dialoog beschouwt de leraar de leerling als een weldenkend en welvoelend mens die verbaal en non-verbaal communiceert. De leraar, op zijn beurt, wordt door de leerling beschouwd als ondersteuner, begeleider, bron van troost en bron van informatie bij het leren.

Volgens Kessels is het vermogen tot dialoog in onze samenleving onderontwikkeld. De samenleving blijkt nauwelijks te kunnen voldoen aan de voorwaarden die nodig zijn om een dialoog aan te gaan:

‘Om een dialoog tot stand te brengen moet je zelf luisteren en vragen stellen. Je moet je woede en verontwaardiging kunnen inhouden, je oordeel opschorten, ruimte maken voor opvattingen die je verwerpt, je zelfs ontspannen om ze te begrijpen (…). Een dialoog vergt tijd en rust, ruimte om na te denken en te zoeken naar zoiets verborgens als het poëtisch argument.‘ (p. 214)

De dialoog is het opbouwen van een relatie, waaraan beide gesprekspartners zin ontlenen. Dit houdt een zekere kwetsbaarheid in: om een betekenisvolle context voor alle betrokkenen te genereren, moeten de deelnemers werkelijk in het gesprek betrokken zijn. Een nastrevenswaardige gedachte, ook in het onderwijs: leraren en leerlingen als werkelijke gesprekspartners. Voor wie uitgedaagd wil worden na te denken over de vraag waar het in het persoonlijk leven in het algemeen en in het onderwijs in het bijzonder om gaat, is het boek van Kessels de moeite waard.

Het poëtisch argument

In het eerste deel van het boek brengt de auteur de begrippen uit de titel met elkaar in verband. Kessels, naast filosoof ook voorman van Het Nieuwe Trivium, een filosofisch scholingsinstituut voor organisaties, doet dit aan de hand van verwijzingen naar literatuur en praktijkvoorbeelden van concrete situaties in organisaties, dagelijkse gesprekken en voorkomende handelingsverlegenheid. Het poëtisch argument wordt uitgelegd als een complex van samenhangende rationele en gevoelsmatige redenen, als het bijeenbrengen van beeldende, verbeeldende, dichterlijke, esthetische, creërende wensen, fantasieën en dromen.

Wat zou het voor de inzet en resultaten van een organisatie als een school betekenen als de staf onderling en met de leerlingen zou werken vanuit vragen als: wie ben je? Wat denk en voel je? Wat doe je? Wat wil je? Wat zou je anders willen doen? En: waarom doe je dat dan niet?

Socrates daagde zijn gesprekspartners uit om zichzelf dergelijke vragen te stellen en er steeds scherpere antwoorden op te formuleren. Hij wilde op deze manier de ander de gelegenheid geven na te denken over het waarom van zijn strevingen naar het goede leven. Ieder mens denkt altijd dat wat hij doet, goed is: ‘dat al je handelen voortkomt uit de overtuiging dat in déze situatie dit doen het beste voor je is (p.12).’ Feitelijk is dat in veel gevallen onjuist.

Denken en doen, theorie en praktijk, sluiten dikwijls niet op elkaar aan. Hoe komt dat, wat is verborgen, wat is over het hoofd gezien? Wat is de rol van gevoelens van wraak, verdriet, angst, schaamte, schuld en (leed)vermaak? Wanneer er in een gesprek de ruimte bestaat om dergelijke zaken aan de orde te stellen en de gesprekspartners zijn werkelijk geïnteresseerd in de dialoog en elkaar, dan is er een diep gevoel van gemeenschapszin. En de mogelijkheid verder te komen.

In het tweede deel presenteert Kessels twee beschrijvingen van socratische gesprekken, één met organisatieadviseurs en één met locatiedirecteuren van een bank. In beide gesprekken gaat er om een concreet thema dat een deelnemer inbrengt. Kessels beschrijft hoe het probleem bij de deelnemers door vragen en antwoorden allerlei verschillende betekenissen en interpretaties oproept. Duidelijk wordt hoe moeilijk een socratisch gesprek is voor alle deelnemers. Het is immers zaak dat de gesprekspartners met inachtneming van alle gedachten en gevoelens een verbeeldende ruimte creëren. Maar die situatie komt niet altijd tot stand en dan valt het gesprek ‘dood’. Wat dan resteert, is weinig meer dan een inhoudsloos praatje. Lukt het wel, dan zijn de gesprekspartners op dat moment waarlijk filosoof en kunstenaar. Er ontstaat een andere optiek, een andere taal, een nieuw veld van mogelijkheden.

Daarna, in deel drie, gaat de auteur een socratische dialoog met zichzelf aan. Hij stelt zich de vraag: ‘En jij, wat gaat jou aan het hart? Wil je dat in je boek openbaren?‘ Dat roept onmiddellijk vragen op zoals: ‘Hoever wil je daarin gaan? Wat heeft dat voor zin, voor jou en/of voor de lezer? Kan je erop vertrouwen, dat voor jou gevoelige zaken met piëteit worden behandeld?‘ De gevoelige zaken zijn punten waar je zelf bent geraakt of te raken bent.
Kessels spreekt van raakpunten. Hij geeft eigen ervaringen van gesprekken weer en confronteert zichzelf en de lezer met zijn geraakt zijn – met voldoening, met schaamte, met verbazing, met verwondering, met opluchting, met begrip.

In het vierde deel wordt het poëtisch argument in de betekenis van ‘diep geraakt worden’ nader beschouwd. Kessels doet dat door in verschillende contexten zoals muziek, literatuur, wetenschap en bedrijfsleven te beschrijven, waar het individu op spiritueel niveau in het hart wordt getroffen, dat serieus neemt en als bron gebruikt voor denken, reflecteren en handelen. De mens wordt verbeeld, geïdealiseerd, in zijn harmonie van denken, voelen en willen. Het is de beheersing voorbij, dat wil zeggen zeer verschillende kennis en vaardigheden zijn niet in staat de sprong te maken tot een intense, harmonieuze betrokkenheid. Het is dat gevoel, dat het argument geeft van gemotiveerd denken en doen.

In deel vijf, tenslotte, bespreekt Kessels poëtische argumenten, zoals die door verschillende mensen naar voren kunnen komen in de dialoog. Kessels stelt zich voor, dat een burgemeester in zijn nieuwjaarsrede een appèl doet op zijn bestuurders en ambtenaren, dat het maar eens uit moet zijn met het gedoogbeleid van de laatste jaren en dat waarden en normen, het handhaven van regels, prioriteit moet krijgen. De casus betreft vervolgens een gemeentelijke verordening om een smartshop in een reguliere winkelstraat te sluiten. Het bezwaar van de winkelier daartegen wordt maanden later door de rechter gehonoreerd. Kessels laat in de casus vier stijlen van publiek management reageren op het dilemma waar de gemeente nu voor staat en welke argumenten kenmerkend zijn voor de vier stijlen.

Voor degenen die met mensen werken in organisaties roept Jos Kessels’ boek veel herkenning op. Het geeft treffende inzichten waarom het zo vaak in organisaties niet goed gaat tussen mensen. Maar bovenal geeft het aan hoe en waarom het wel goed kan gaan. Op scholen bijvoorbeeld: wanneer ervaren en bij het onderwijs betrokken mensen een school binnen komen, dan kunnen zij vrij snel vaststellen dat de leerlingen en de leraren het goed maken. Ze zien en voelen harmonie, tot stand gekomen door dialoog en met respect voor poëtische argumenten van leerling en leraar.

Door Wim van Werkhoven

Jos Kessels is filosoof. Studeerde rechten en filosofie en werkte aanvankelijk als musicus, journalist en filosofie-docent. Deed daarna onderzoek in wetenschapsfilosofie en didactiek van filosofie, en promoveerde op een proefschrift over kennistheorie en filosofieonderwijs (socratische methode). Specialiseerde zich in theorie en praktijk van het socratisch gesprek. Zie www.joskessels.nl