inspiratie, legitimatie en verbinding
Deze website wordt inmiddels elke maand meer dan 150.000 keer bezocht! De verhalen komen van leraren, schoolleiders, bestuurders, ouders/opvoeders en onderwijsbetrokkenen zelf.
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

profiel

Marcel van Herpen


Marcel van Herpen
Bekijk mijn profiel

Geert Bors


Geert Bors
Bekijk mijn profiel

Stemming van hetkind
twitter

Onderwijsavonden Driebergen -> leraren sterken bij uitvoering van hun pedagogische opdracht. Zoals @ellenvos Binnen… twitter.com/i/web/status/8…

Ongeveer 3 uur geleden op hetkind's Twitter via Twitter for iPhone

facebook
Marcel van Herpen over medicalisering: ‘Dit kind heeft ADHD. Dan weet je het wel!’ Wát weet ik dan wel?

30 juni 2015

Marcel van Herpen

Marcel treft een jongen, die nogal ongeconcentreerd is in de klas. De school raadt een onderzoek aan. Diagnose: ADD. ‘Dat verklaart ook z’n slechte slapen’, zeggen de ouders, ‘dat hoort bij ADD.’ Marcel draait het om: ‘Zou het zo kunnen zijn dat je overdag focusverlies hebt, omdát je slecht slaapt?’ Een natuurlijk slaaphormoon biedt soelaas. Na Marcels aanklacht tegen de economisering van het onderwijs, pakt hij nu de medicalisering aan: ‘Een pedagoog heeft een blik voorbíj het storende gedrag. Een blik waarmee je je inspant om je kinderen te leren verstaan. Een blik die recht wil doen aan ieder kind.’

adhddEr was iets niet helemaal in orde met de jongen. Dat vond de school. En dat merkten zijn ouders ook. In de klas was hij er niet helemaal bij. Afwezig, vaak. Ongeconcentreerd. De school en de ouders vonden het een goed plan, als hij eens onderzocht werd. Zo kwam het tot een diagnose: ADD, attention deficit disorder. ADHD zonder de hyperactiviteit, dus. Opeens begreep de school het. En ook de ouders waren opgelucht, omdat ze daarmee te horen hadden gekregen dat het niet aan hen lag. Ritalin of een aanverwant medicijn werd deel van de dagelijkse routine.

Ik heb contact gehouden met dit kind en zijn ouders, omdat ik weer eens schrok van hoe we ons in korte tijd een compleet psychiatrisch jargon hebben eigen gemaakt en hoe normaal we dat zijn gaan vinden. ‘Ons kind slaapt heel laat. Dat is een kenmerk van ADD’, vertelden de ouders me. Ik draaide het om: ‘Als je iedere dag laat in slaap valt, zou je best wel eens wat focusverlies overdag kunnen ondervinden.’ Dat vond hun huisarts een steekhoudende hypothese. Hij schreef een lichte dosis van een natuurlijk slaaphormoon voor. Sindsdien slaapt de jongen om 20:00u en vertoont hij amper nog de symptomen van ADD.

Druk in de klas, rustig bij oma: deeltijd-ADHD?

Niet goed slapen als kenmerk van ADD. Of moeite om geconcentreerd te blijven, omdat je niet goed slaapt. Het is een fundamenteel andere manier van kijken; het is waar het perspectief kantelt. Het stappen in de valkuil van de psychiatrische newspeak kenmerkt zich door niet meer naar het kind te kijken, maar naar het gedrag. Een kind is meer dan een zak competenties of een set gedragskenmerken. Kinderen zijn mensen. Het zijn psychosociale wezens, die zich naar vermogen gedragen, afhankelijk van de omstandigheden. Ik heb kinderen gezien die je, op basis van de verschijningsvorm van hun gedrag, wel drie keer het label ADHD op zou kunnen plakken in de klas, maar die, als ze thuis bij oma op de bank kruipen, de rust zelve zijn. Een gevalletje van deeltijd-ADHD?

Een pedagoog – en dat ben je als leraar, als ouder, als begeleider – heeft een andere blik dan de psychometrische. Een blik waarmee je je inspant om je kinderen te leren kennen, te leren verstaan. Een blik die emanciperend wil zijn. Een blik die recht wil doen aan ieder kind.

Als je niet van mij wilt aannemen hoe ver we gegaan zijn in ons medicaliserende model en wat het betekent om te denken in labels in plaats van in kinderen, bekijk dan eens het cijfermateriaal dat de Amsterdamse emeritus hoogleraar opvoedkunde Jo Hermanns presenteerde tijdens zijn NIVOZ-voordracht ‘Een pedagogisch antwoord op passend onderwijs’. Uit bevolkingsonderzoek blijkt dat tussen de 2 en 5 procent van de kinderen geïndiceerde hulp nodig heeft. Met andere woorden, maximaal 1 op de 20 kinderen heeft een leer- of gedragsprobleem, dat speciale hulp vereist. In principe is dat door de decennia heen een redelijk vaststaand cijfer. Echter, in onze tijd krijgt maar liefst 1 op de 6 kinderen een diagnose.

Een andere vergelijking van Hermanns: ben je eenmaal doorgestuurd naar speciaal onderwijs, dan zijn je kansen om terug te keren naar regulier grotendeels verkeken. Van de kinderen die wij met een diagnose naar het speciaal onderwijs sturen, stroomt slechts 2 procent door naar de havo. Wanneer je diezelfde kinderen in het regulier onderwijs laat meedraaien, blijkt maar liefst één derde daarvan door te stromen naar havo of hoger. En als klap op de vuurpijl, toonde Hermanns aan dat de ouders van ‘gewone’ kinderen zich geen zorgen hoeven te maken met een paar ‘kinderen met een vlekje’ in de klas, want collectief blijkt er in dergelijke klassen beter te worden gepresteerd dan in homogene klassen.

Diagnoses medicalisering marcel van herpenDe bijwerkingen van medicalisering

Medicijnen hebben bijwerkingen. Medicaliseren heeft ook z’n bijwerkingen, vaak ernstige. Je loopt een verhoogd risico te gaan leven, je te gaan gedragen naar de taal en de logica van het medicaliserende model. Er zijn ouders die zeggen dat ze blij zijn met een diagnose, omdat het daarmee ‘niet aan hen ligt’, maar aan ‘stofjes’ in ‘de hersenen’, die te veel of te weinig aanwezig zijn. En daar zijn medicijnen voor. Die neiging is al te menselijk en goed te snappen. Maar wat je als ouder eigenlijk moet begrijpen, is dat je weliswaar een geweldige invloed hebt op de ontwikkeling van je kind, maar dat je geen ‘factor’ bent die schuld draagt. Je bent een ‘actor’ die heel veel goed kan doen in het leven van je kind. Door je kind te zien. Door je kind te kennen. Door hem te begeleiden, terwijl je aandacht hebt voor zijn eigen aard, zijn ‘eigenaardigheden’.

Datzelfde geldt voor leraren, die een diagnose gebruiken als een explanation stopper, zo’n uitleg die iedere verdere gedachte overbodig maakt: ‘Tja, hij heeft ADHD. Dan weet je het wel.’ Wat weet ik dan wel? Hoe ontslaat dat je ervan het kind achter het label te blijven zien? Ook in administratieve zin zijn er bijwerkingen voor scholen: ik hoor intern begeleiders en zorgcoördinatoren, die uitleggen: ‘Als wij extra geld nodig hebben voor de begeleiding van een kind, moeten we de problematiek aandikken. Als we beschrijven wat er precies aan de hand is, zou de indicatie te zwak kunnen zijn voor ondersteuning.’ Morele coördinatoren hebben daar moeite mee. Ik ken er een die aparte brieven schrijft aan de kinderen. Zoals ze zelf zegt: ‘Kijk, dit is wat ik geschreven heb vanwege het geld, maar zo gek ben je in het echt niet, hoor.’

Het ergst is het ongetwijfeld voor de kinderen zelf. Wat betekent het om ‘gelabeld’ te zijn? Hoe word je benaderd? En hoe verhoud je je zelf tot een diagnose? Sommigen zeggen: ‘Ik kan er niks aan doen, want ik heb ADHD.’ Als je een diagnose gebruikt om begrip te krijgen van je situatie, is dat prima. Maar als je gaat wonen in je diagnose, als het een reden wordt om je te blijven gedragen zoals je doet, is zo’n label eerder een katalysator die het probleem in stand houdt of vergroot, dan een emancipatoire route naar een oplossing.

Achteraf zijn we geen kinderen meer

Achteraf vinden we het grappig dat Leonardo Da Vinci, Albert Einstein, Walt Disney, Pablo Picasso, Hans Christian Andersen, Roald Dahl, Steven Spielberg, Bill Gates, Whoopi Goldberg, Tom Cruise en Jan des Bouvrie dyslectisch bleken te zijn. Achteraf wordt het deel van hun success story dat bijvoorbeeld ADHD’ers talenten bleken te hebben waar creatieve organisaties wel bij varen. ‘Met de kennis van nu’, zoals politici dat vergoelijkend zeggen, om hun fouten uit het verleden weg te poetsen. Maar ‘achteraf’ zijn we geen kinderen meer. Kinderen willen nú laten zien wat ze kunnen. En het is aan de leraar om hen daarvoor de ruimte te bieden: ‘Laat maar zien wat je kunt. Doe het maar. En trouwens, ik heb ook verwachtingen: wat jij kunt, moet je me ook laten zien.’

Een pilletje is vaak als een punt aan het eind van de zin: het verhaal is af, met een medische diagnose kan het denken stoppen. Kijken voorbij het gedrag naar het kind zelf is eerder een uitroepteken. Of beter: een krachtig vraagteken. Omdat je nooit zeker weet waar je uitkomt. Daarin schuilt wat Gert Biesta ‘het prachtige risico van onderwijs’ noemt. Je laten zien in het onderwijs, de relatie aangaan met iedere leerling en zijn eigenaardigheden, blijft een mooi, kwetsbaar, alomvattend waagstuk.

Marcel van Herpen
i.s.m. Geert Bors

Lees hier het eerste deel van Marcels serie terug. Dat ging over de economisering van het onderwijs.