inspiratie, legitimatie en verbinding
Deze website wordt inmiddels elke maand meer dan 150.000 keer bezocht! De verhalen komen van leraren, schoolleiders, bestuurders, ouders/opvoeders en onderwijsbetrokkenen zelf.
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

profiel

Geert Bors


Geert Bors
Bekijk mijn profiel

Stemming van hetkind
twitter

‘Lex wil niet leren. Dat zegt school. En hij is niet testbaar’ hetkind.org/?p=54795

Ongeveer 3 uur geleden op hetkind's Twitter via hetkind website

facebook
De levenslange invloed van juffrouw A

17 augustus 2015

Geert Bors

In 1978 kwam een professor aan McGill University in zijn onderzoek op een achterstandsschool tot een opmerkelijke constatering: kinderen die hadden leren lezen bij een bepaalde docente, “Miss A”, hielden daar blijvend een enorme voorsprong aan over. Het was een spijkerharde kwantitatieve correlatie. Maar omdat de onderzoeksmode toentertijd voorschreef om de oorzaken van leerachterstand vooral te zoeken in sociaal-economische omstandigheden buiten de school, werd het onderzoek terzijde geschoven. Om pas weer rond 2000 op te duiken. Geert Bors legt in zijn bijdrage verbanden en slaat bruggen naar deze tijd.

“De stem van meneer Maassen of juf Van der Hout blijf je je hele leven horen op momenten dat je je er makkelijk van af probeert te maken: ‘Jongen, jij kan toch beter’”, sprak onderwijsminister Ronald Plasterk in een debat in oktober 2007 met onderwijssocioloog Jaap Dronkers. Hij wees daarmee op de vitale rol die de leraar speelt in het stimuleren van kinderen in hun ontwikkeling. Plasterk koos niet voor willekeurige namen als “Jansen” of “De Vries”. Meneer Maassen en juf Van der Hout zijn zeer waarschijnlijk werkelijke docenten, die een blijvende bijdrage hebben geleverd aan de ontwikkeling van Plasterk de minister, de opiniemaker, de hoogleraar. Het moet mooi voor ze zijn, zo ze nog leven, dat ze in de jaren zestig een dusdanige indruk op hun jonge leerling hebben gemaakt dat de minister in 2007 hun stimulerende woorden nog hoort.

Hoezeer de kwaliteit van de individuele docent er toe doet blijkt uit dit soort herinneringen. Iedereen heeft ze: herinneringen waaruit spreekt hoe sommige leraren in staat zijn geweest je echt te raken. Docenten met prachtige verhalen, docenten die je een angst hebben leren overwinnen, docenten die talenten in je hebben doen ontwaken waarvan je het bestaan nog amper kende, docenten die echt naar je luisterden. Van dergelijke leraren herinner je je de naam.

Sommige van hen verworden zelfs tot filmhelden – denk bijvoorbeeld aan de energieke Mr Keating (Robin Williams) in Dead Poets Society (1989), die zijn jongens voorhield tegen de heersende orde in hun individuele talenten te leren onderkennen en ontplooien. De scriptschrijver had Mr Keating losjes gebaseerd op docent Samuel Pickering, die later hoogleraar Engels werd op de Universiteit van Connecticut. Zelf vulde acteur Robin Williams zijn rol in door te denken aan John Campbell, zijn eigen docent geschiedenis. Anderen zal Être et Avoir (2002) helder voor de geest staan, een film over het laatste schooljaar van een invoelende Franse docent op een kleine dorpsschool. De film eindigt aan het begin van de zomer, als een deel van de leerlingen uitvliegt en meester Georges Lopez met pensioen gaat. Helaas voor de generatie leerlingen die hierna komt, denkt de bioscoopbezoeker. Stand and Deliver (1988) is nog zo’n voorbeeld –  een film over het succes van wiskundedocent Jaime Escalante op een Latino-achterstandsschool in Los Angeles.

Er is een wijdverbreide consensus dat een van de belangrijkste factoren die de prestatie van de student bepaalt de kwaliteit van de docent is, stelde Dr Daniel Fallon, hoofd van de Education Division van de Carnegie Corporation of New York in het artikel “The amazing Miss A and why we should care about her” uit 2003. Sterker nog, schrijft Fallon: onderzoek toont aan dat de kwaliteit van de docent twintig keer meer bepalend is dan iedere andere factor. Hij pleit er voor om voorbij de anekdotische bewijzen en voorbij de Mr Keatings en Jaime Escalantes te kijken, omdat daarmee de schijn zou kunnen worden gewekt dat zij de uitzonderingen te zijn die de regel bevestigen. Excellent onderwijs vindt overal plaats. Maar hoe toon je effectief leraarschap aan?

Fallon kwam op het spoor van een vroege kwantitatieve studie naar de kwaliteit van de individuele docent, een onderzoek dat in de tijd van verschijning (1978) niet al te serieus genomen was. De studie was uitgevoerd en gepubliceerd door een zekere professor Eigil Pedersen van McGill University. Deze had longitudinaal onderzoek uitgevoerd op een achterstandsschool in een grote stad in het Noordwesten van Amerika. Van de tachtig basisscholen in het district, was het de school met de slechtste reputatie. Maar tien procent van de leerlingen maakte hun school af. En van die tien procent haalde vijftig procent haalde het eerste jaar van het vervolgonderwijs. Weinig docenten voelden zich aangetrokken tot de school en het verloop was er groot. Daarnaast werd in het district bij alle scholieren in het derde en zesde jaar een IQ test afgenomen. Zoals te verwachten, scoorde de school van Pedersens onderzoek ook hier consequent het laagst.

Juist dat laatste punt, die IQ-scores, leverde echter iets bijzonders op. Pedersen had besloten oud-leerlingen van de laatste 25 jaar op te zoeken en hen te interviewen. Hun maatschappelijke positie in het volwassen leven en hun reflecties op hun schoolervaringen zouden misschien waardevolle informatie kunnen opleveren om effectievere onderwijsstrategieën te ontwikkelen. Toen hij van die 25 jaar de IQ-scores van leerlingen vergeleek ontdekte hij iets ongewoons: hij constateerde voor een groot aantal leerlingen een enorme sprong voorwaarts tussen de meting in het derde en in het zesde jaar. En dat terwijl IQ normaal gesproken een redelijk stabiele waarde heeft. Hoe kon dit?

Wat een zijstapje leek, ontwikkelde zich al snel tot een hoofdstroom in het onderzoek. Pedersen en zijn team onderzochten allerlei factoren die van invloed zouden kunnen zijn, maar bleef uiteindelijk steken bij een grote, zeer significante correlatie: de school had drie leraressen voor grade 1 (cf. groep 3 in Nederland). Pedersen anonimiseerde hen tot juf A, B en C. De kinderen die de grootste IQ-sprong lieten zien, bleken allemaal bij juf A in de klas gezeten te hebben. Bij juf C vertoonden de leerlingen tussen de derde en de zesde een IQ-achteruitgang en bij juf B stegen de meisjes in IQ, terwijl de jongens daalden. Spectaculairder was dat uit het longitudinaal onderzoek naar de sociale status die oud-leerlingen van juf A verworven hadden, bleek dat ze het beter waren blíjven doen dan leerlingen van de andere docentes. De leerlingen van juf A hadden gemiddeld de hoogste opleiding genoten, woonden in de betere huizen en hadden qua werk en inkomen een betere positie. Tenslotte wist iedere leerling uit de klas van juf A haar naam nog, terwijl van de andere leerlingen minder dan de helft de naam van hun juf nog wist.

Juf A had dus iets bijzonders. Maar wat? Het lag er niet aan dat ze betere leerlingen kreeg: haar leerlingen kwamen uit dezelfde milieus, met vaders met dezelfde typen banen, met evenveel werkloosheid en met evenveel broers en zusjes. Helaas kon Pedersen niet meer bij “Miss A” zelf terecht. Ze was terminaal ziek en kon hem niet meer te woord staan. Haar leerlingen konden des te meer vertellen: juf A verloor nooit haar geduld, gebruikte nooit fysiek geweld, toonde een echte toewijding en liefde voor haar kinderen. Daarnaast besteedde ze veel aandacht aan het belang van scholing en waarom haar leerlingen hun school moesten afmaken. Haar belangrijkste boodschap was: leer goed lezen. Zoals een van haar oud-leerlingen het uitdrukte: “There was no way that the pupil was not going to read by the end of grade one”.

Pedersen had een hoogst interessante correlatie aangetoond, maar helaas, zo laat Fallon zien, werd zijn boodschap in 1978 niet opgepikt. De onderzoeksmode van de jaren zeventig schreef voor dat schoolprestaties vooral sociologisch werden gerelateerd aan factoren als armoede, de sociaal-economische status van ouders en familiegrootte. Door de grootschaligheid van dergelijke studies, bleef de kwaliteit van individuele docenten buiten beeld. Inmiddels is de tijd wel rijp voor wat het NIVOZ pedagogisch leiderschap noemt. Fallon pleit voor meer vergelijkende, kwantitatieve studies van het soort en de kwaliteit van Pedersen om docenten analytisch te vergelijken in het licht van de prestaties van hun leerlingen (zie ook kader “Miss A en McKinsey”).
Hij heeft de daad bij het woord gevoegd en heeft zijn Carnegy Corporation een evidence-based programma opgezet voor het omvormen van lerarenopleidingen en het verhogen van de kwaliteit van de onderwijspraktijk. Omdat we weten dat goede docenten een wereld van verschil maken. Filmdocenten als John “Oh Captain, My Captain” Keating, maar vooral ook  docenten als juf A, meneer Maassen of juf Van der Hout die in relatieve anonimiteit hun werk doen, maar wier namen nooit vergeten worden door hun leerlingen.

Tekst: Geert Bors, redacteur NIVOZ

Literatuur:

  • Daniel Fallon “The Amazing Miss A and Why We Should Care About Her” in McGill Journal of Education, 2003
  • Marlies Hagers “Kluitjesvoetbalbeleid” in NRC Handelsblad, 14-10-07