inspiratie, legitimatie en verbinding
Deze website wordt inmiddels elke maand meer dan 150.000 keer bezocht! De verhalen komen van leraren, schoolleiders, bestuurders, ouders/opvoeders en onderwijsbetrokkenen zelf.
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

profiel

Ellen Emonds


Ellen Emonds
Bekijk mijn profiel

Stemming van hetkind
twitter

‘Huilende moeders aan tafel. Het blijft lastig, zeker omdat ik de tranen vaak maar al te goed begrijp’ hetkind.org/?p=54821

Gisteren op hetkind's Twitter via hetkind website

facebook
‘Geen pestprotocol, training of straf, maar kinderen direct in situatie brengen dat ze het anders kunnen doen’

24 september 2015

Ellen Emonds

Deze week (21-25 september) organiseert de Stichting School en Veiligheid de Week Tegen Pesten. In dat kader zullen we iedere dag een blog posten over dit thema, met tips, handvatten of inspiratie voor een positieve sfeer in de klas. Vandaag van de hand van Ellen Emonds, in oktober 2012 gekozen tot Leraar van het Jaar. ‘Er zullen zich altijd situaties voor blijven doen waarbij iemand zich gepest voelt. Het enige antwoord daarop is bewustwording. Bewustwording van je eigen gedrag en het effect daarvan op een ander. Kinderen hebben volwassenen nodig die hen daarbij helpen. Die met hen de reconstructie maken en ze  zo snel mogelijk in een situatie brengen om het anders te kunnen doen. Niet wanneer het in het rooster past, maar direct wanneer het zich voordoet.’

‘Ellen, telefoon voor je. De moeder van Joost.’

Joost was deze ochtend niet op school gekomen en mijn groep was ondertussen naar de gymles. Zonder mij, ik was op school aan het werk. De moeder van Joost vertelde me dat Joost niet naar school wilde. Hij is erg verdrietig zei ze en zelf huilde ze ook bijna. Ze vertelde me dat het niet goed met Joost gaat. ‘Hij wordt gepest in de klas, gisteren was het weer zover en we hebben er schoon genoeg van. Ik probeer iedere keer het gesprek met hem aan te gaan en ik kom telkens op school als er iets gebeurd is, maar het lijkt allemaal niet te helpen.’

Ik luister naar haar verhaal en hoor het verdriet en de wanhoop in haar stem. Joost zit sinds begin dit schooljaar bij me in de klas. Hij heeft een blij gezicht en zit boordevol energie. Hij is iedere dag op zoek naar contact met andere kinderen, verbaal en non-verbaal. Kinderen vinden hem soms te dichtbij komen en reageren geïrriteerd op hem. Hij voelt de grenzen van een ander niet altijd goed aan. Ik heb al veel gesprekken met zijn moeder gehad en vaak opent ze het gesprek met de woorden ‘je zal wel denken, daar heb je d’r weer.’ Dat denk ik nooit en dat zeg ik haar altijd. Alleen die zin.

Joost is soms wel bij die gesprekken, soms ook niet. Hij kan het gesprek niet altijd goed volgen, zijn gedachten gaan soms zo vlug dat hij binnen de kortste keren met zijn hoofd weer ergens anders is. Joost is vergevingsgezind. Als het mis gaat met iemand en die ander komt daarna sorry zeggen, dan is het voor Joost echt klaar. Vandaag dus niet, hij wil niet meer naar school. Nooit meer.Ik luister naar zijn moeder en zeg haar dat ik het heel erg voor Joost en haar vind. Ik vraag of ze met Joost naar school wil komen vanmiddag, dan heb ik de tijd om met mijn groep te praten over dit probleem. We spreken het zo af.

Na de gym komen de kinderen terug op school. Op het rooster zien ze dat we een kringgesprek hebben. Meestal gaan we aan het werk na de gym, dus het valt sommigen al op dat het deze keer anders is. ‘Waarom gaan we in de kring?’ wordt me gevraagd. ‘Omdat we met elkaar een groot probleem hebben: Joost wil niet meer naar school.’ Geschrokken verzamelt een meisje alle andere kinderen zo snel mogelijk boven op ons zoldertje, een plek waar we met doeken een soort tent van gemaakt hebben en in alle rust met elkaar kunnen spreken. Als iedereen zit, vertel ik over het telefoontje dat ik vanmorgen kreeg. Sommige kinderen reageren geschokt en willen meteen weten wie er Joost gepest heeft. Anderen zijn afwachtend en een paar van hen kijken naar de grond. Ik was gisteren zelf niet op school en wil met de kinderen de reconstructie maken.

‘Wie heeft er gisteren contact gehad met Joost, waar het voor Joost achteraf gezien misschien niet zo fijn was?’ Er komen een paar verhalen boven. Bas en Sammie vertellen dat ze hem toen de school uit was, buiten nog even zagen. ‘Hij vroeg toen of wij Sjoerd en Dennis ook zo irritant vinden. Wij zeiden toen dat hij zelf irritant is, maar niet om te pesten! Gewoon omdat je zo niet over andere kinderen moet praten als ze er niet bij zijn.’

Toen ik doorvroeg of ze achter de bedoelingen van Joost konden komen, vulde een ander kind aan. ‘Ik heb gezien dat Sjoerd en Dennis met zijn spullen hebben gegooid. Dat vond Joost heel vervelend. Misschien ging hij daarom buiten naar Bas en Sammie, omdat hij zijn verhaal kwijt wilde.’ Anderen denken dat Joost misschien vrienden wilde maken of niet alleen wilde zijn. Vervolgens vroeg ik Bas en Sammie na te denken of de bedoelingen van Joost begrepen waren door hen. Het antwoord is nee, ze hadden Joost niet geholpen, zelfs nog een keer afgewezen. Maar een incident als dit, is toch geen pesten, vroegen de jongens.

Toen we door praatten, bleek dat er in totaal die dag zes van zulke ‘incidenten’ waren geweest. Allemaal op zichzelf staande dingen, maar wel allemaal met een vervelende afloop voor Joost. We spraken verder en kwamen erachter dat er vooral op Joost snel boos wordt gereageerd. Kinderen kunnen heel weinig van hem hebben, vinden hem snel vervelend. ‘Hij luistert ook niet als ik zeg dat hij op moet houden.’ ‘Hij praat er de hele tijd doorheen.’ ‘Hij maakt stomme grappen.’ ‘Hij is super druk.’

Drie meiden zijn gisteren een paar keer voor hem opgekomen en leggen de vinger op de zere plek. ‘Als Joost iets doet, dan vindt iedereen dat stom en als iemand anders hetzelfde doet dan wordt het wel grappig gevonden. Dat is niet eerlijk.’

Joost reageert soms inderdaad vreemd, anders dan andere kinderen. En vooral de laatste weken lijkt dat erger te worden. Een jongen denkt dat het misschien komt omdat hij gewoon niet meer weet hoe hij het goed moet doen en daarom maar van alles probeert. En iedere keer krijgt hij de deksel op zijn neus. In plaats van dat iemand vraagt wat hij bedoelt, wordt hij direct afgewezen of voor schut gezet.

De bewustwording van hun reacties op Joost is pijnlijk, sommige kinderen moeten ervan huilen en zeggen dat ze het zo niet bedoeld hebben. Ze ontdekken dat Joost eigenlijk geen enkele echte vriend in de klas heeft. Jasper zegt dat hij Joost z’n vriend wil worden, ‘maar dan moet hij wel luisteren als ik zeg dat ik iets niet zo fijn vind, bijvoorbeeld als hij steeds door me heen praat.’ We oefenen hoe je dat tegen iemand kunt zeggen, zonder die ander te kwetsen. Een paar kinderen willen spontaan iets voor hem maken als hij vanmiddag op school komt. Ik laat kinderen vrij in hoe ze hem vanmiddag benaderen, we spreken hier verder niets over af.

Na de lunch druppelen de kinderen een voor een de klas weer binnen. Ik heb ervoor gekozen de inloop vanmiddag iets langer te laten duren. Groepjes kinderen pakken een spelletje, anderen gaan met een boek of hun werk ergens zitten. Dan komt Joost binnen met zijn moeder. Ik begroet hem even, aai hem over zijn hoofd. Jasper loopt meteen naar hem toe en geeft hem een envelop. Hij heeft tussen de middag thuis iets voor hem geschreven. Bas, Sjoerd, Sammie en Dennis geven hem een hand en zeggen sorry. Ze vragen of hij zin heeft om met hem een spel te spelen.

Zijn moeder schuift aan bij een groepje meiden die haar uitgebreid verslag doen van ons gesprek van vanmiddag. Zij vertelt op haar beurt dat ze het soms ook een beetje moeilijk vindt om met alle mensen goed om te gaan en legt uit dat ze dat dan maar gewoon zegt. ‘Vaak komen we er dan wel uit en leer je elkaar weer beter kennen.’ Aan het eind van de middag zitten we weer even in de kring en vraag ik aan Joost hoe het met hem gaat. Hij zegt heel blij te zijn met hoe iedereen op hem gereageerd heeft, terwijl hij het heel spannend vond om naar school te komen. De rest van de groep vertelt hem hoe we erover gepraat hebben en we spreken af dat we elkaar helpen wanneer er problemen zijn. Dat het belangrijk is dat je elkaar vertelt hoe het met je gaat. Dat ik je daar ook bij kan helpen. En dat het niet erg is als het niet altijd goed gaat, dat je daar juist van kunt leren als je er maar iets meedoet.

In de twee weken die volgen gebeurt er nog een paar keer iets. Joost spreekt zich sneller uit en de situaties worden met iedereen geanalyseerd. Kinderen groeien hier hard in, komen vlug bij de kern en kunnen daarop doorpakken. Joost ziet hier ook zijn eigen leerpunten en probeert daar goed mee om te gaan. Kinderen zien dat ook en complimenteren hem daar mee. Gisteren kwam de moeder van Joost na school even naar me toe en zei me dat het thuis zo goed met Joost gaat. ‘Ik zie echt een verandering. Hij is blijer en rustiger. Dat mag dan ook gezegd worden!’

Pesten is niet voor iedereen hetzelfde en daarom ook niet volledig buiten te sluiten. Er zullen zich altijd situaties voor blijven doen waarbij iemand zich gepest voelt. Het enige antwoord daarop is bewustwording. Bewustwording van je eigen gedrag en het effect daarvan op een ander. Kinderen hebben daarvoor volwassenen nodig die hen helpen tot die bewustwording te komen. Die met hen de reconstructie maken en ze daarna zo snel mogelijk in een situatie brengen om het anders te kunnen doen. En dat niet pas doen wanneer het op het rooster past, maar direct wanneer het zich voordoet. Signalen serieus nemen en meteen handelen, voordat het zo groot wordt dat het bijna niet meer te begeleiden is.

Werken aan relaties tussen kinderen onderling en tussen de leraar en de leerlingen is een kerntaak van iedere leraar en voorwaardelijk om een veilige sfeer te creëren in de klas waarbinnen kinderen zichzelf optimaal kunnen ontwikkelen. Pesten wordt niet opgelost met pestprotocollen, trainingen of straf. Daarmee kun je het tijdelijk onderdrukken en misschien even redden. Maar de kinderen die gestraft worden voelen zich buitengesloten en dan is er geen sprake meer van een relatie. Niet tussen hen en hun klasgenoten en niet tussen hen en hun leraar.

De leraar moet met alle kinderen een relatie aangaan, zonder uitzondering. Dat kan alleen als je alle kinderen ‘heel’ laat en ze inzichten geeft en helpt het anders te doen. En die hulp aanvaarden kinderen alleen van iemand waarmee ze zich verbonden voelen, bij wie ze voelen dat ze er toe doen en blijven doen, ook al maak je fouten.

Ellen Emonds

Iedereen maakt verschil, samen hebben we impact

sjek wit blauw rood

 Als donateur ontvang je ‘het Jaarboek 2014
en de jubileumuitgave ‘NIVOZ & de urgentie van goed onderwijs