profiel

Jaap Kleinpaste


Jaap Kleinpaste
Bekijk mijn profiel

twitter

Mogen struikelen als loyaliteit van ouder naar kind hetkind.org/?p=62583

Ongeveer 4 uur geleden op hetkind's Twitter via hetkind website

facebook
Waar is de stem van de kinderen gebleven in het organiseren van hun eigen spel?

15 november 2016

Jaap Kleinpaste

‘Geef kinderen hun spel terug’ was de slogan van een SIRE-campagne om het gedrag van volwassenen langs de lijn van het sportveld positief te beïnvloeden. Deze slogan is minstens zo bruikbaar om de rol van kinderen bij het ontwerpen van spelactiviteiten onder de aandacht te brengen, zowel buiten het onderwijs als daarbinnen. Jaap Kleinpaste pleit voor het schenken van vertrouwen aan leerlingen om een constructieve bijdrage te kunnen leveren aan de invulling van de lessen, ook die in het bewegingsonderwijs. Hij baseert zich onder meer op John Dewey – geen pedagoog, maar wel een onderwijshervormer. ‘Bij Dewey staat de interactie en communicatie centraal die zich afspeelt tussen mensen die gezamenlijk iets ondernemen. Dewey hanteert een pedagogische formulering van democratie en stelt dat ‘wanneer opvoeding een bijdrage wil leveren aan de democratisering van de samenleving, dan zal zij zelf democratisch georganiseerd moeten zijn.’

Het gedicht Frekie van Willem Wilmink, over een verstandelijk beperkte jongen uit de buurt, op schitterende wijze vertolkt door Joost Prinsen, is een prachtige poëtische weergave van de reguleringsdoelen van het bewegingsonderwijs en wordt in ons onderwijs op de Calo (Zwolle) vaak aangehaald vanwege de prachtige zinnetjes, zoals:

meestal riep er iemand wel ‘kom maar, Frekie, doe maar mee’.
welke kant hij uit moest schoppen, daarvan had-ie geen idee.
maar we legden soms de bal op twee meter van het doel
en we riepen: ‘Schieten Frekie!’ en hij trok een ernstig smoel.
als het raak was dook de keeper mooi naar de verkeerde kant
en ’t was goal en dan was Frekie kampioen van Nederland.

Uit deze dichtregels blijkt dat kinderen uitstekend in staat zijn in het spelen rekening te houden met de diversiteit van de deelnemers en het arrangement kunnen aanpassen aan de speelmogelijkheden van de ander(en). En dat is ook wat je ziet wanneer kinderen in de pauze op het schoolplein of na schooltijd in de buurt met elkaar aan het spelen zijn. Ze leggen jassen op de grond als doelpalen en spelen met de regel ‘drie corners = penalty’. Ze kunnen hun spelen samen regelen.

sireeeOf is dat een nostalgisch beeld uit mijn eigen jeugd dat inmiddels is vervangen door meer geïnstitutionaliseerde initiatieven? Zoals het spelen op een Cruijff-court, spelen bij de buitenschoolse opvang en het bewegen onder leiding van getrainde vrijwilligers op een plein met interactieve speeltoestellen, waar verschillende generaties dansen op muziek en samen bewegen in de buitenlucht?
Waar is de stem van de kinderen gebleven in het organiseren van hun eigen spel?

Geef kinderen hun spel terug’ is de slogan van een SIRE-campagne om het gedrag van volwassenen langs de lijn van het sportveld positief te beïnvloeden. Deze slogan is minstens zo bruikbaar om de rol van kinderen bij het ontwerpen van spelactiviteiten onder de aandacht te brengen, zowel buiten het onderwijs als daarbinnen. Tijdens het VO-congres op 31 maart 2016 in Nieuwegein deed Isabella Biney, een leerlinge van het Haarlemmermeer Lyceum, een krachtige oproep aan de leraren om de leerlingen onder elkaar de kans te geven om te leren van elkaar, te groeien met elkaar, om samen een prachtig leermoment te ervaren. ‘Wij leerlingen,’ zegt ze, ‘hebben iets dat ons samen verbindt en ons altijd verbinden zal. Wij zijn de volgende generatie in onze huidige maatschappij en hoe fantastisch zou het zijn als we elkaar oog in oog kunnen aankijken en kunnen beseffen dat we samen iets bereikt hebben.’

cover John Dewey klHaar pleidooi om ons onderwijs in te richten als verlichting van ons leven, werd terecht met een staande ovatie gewaardeerd en was in feite een pleidooi voor het vergroten van de zeggenschap van leerlingen bij het ontwerpen en arrangeren van hun onderwijs. Het vergroten van de zeggenschap over het leren zelf van leerlingen, en dus ook lerenderwijs spelen in het bewegingsonderwijs, is geworteld in een stevige theoretische pedagogische traditie, vanuit een cognitieve, culturele, politieke en ethische onderbouwing. De filosoof en onderwijshervormer John Dewey experimenteerde met onderwijs, waarvan de kernopvatting was ‘dat kinderen leren doordat zij actief deelnemen – participeren – aan gezamenlijke activiteiten’ en niet omdat ze van volwassenen leerstof krijgen overgedragen. Al deelnemend aan die praktijken ontwikkelt zich de individualiteit van het kind.

Dewey is dus niet iemand die eerst het kind ‘centraal’ stelt en dan beziet hoe verschillende individuen zich met elkaar verbinden. Het is precies andersom: de mens en dus ook het kind is een wezen dat ‘van nature’ sociaal is. Bij Dewey staat de interactie en communicatie centraal die zich afspeelt tussen mensen die gezamenlijk iets ondernemen. Dewey hanteert een pedagogische formulering van democratie en stelt dat ‘wanneer opvoeding een bijdrage wil leveren aan de democratisering van de samenleving, dan zal zij zelf democratisch georganiseerd moeten zijn’.

Ik wil er echter zeker niet voor pleiten de docent bewegingsonderwijs buiten spel te zetten, door meer verantwoordelijkheid en eigenaarschap voor de lessen bij de leerlingen te leggen. Ik bepleit zeker geen bewegingsonderwijs waarbij voorbij gegaan wordt aan de deskundigheid die docenten bewegingsonderwijs hebben opgebouwd in minimaal vier jaar studie aan een Academie voor Lichamelijke Opvoeding en hun werk in de dagelijkse praktijk van het lesgeven in de verschillende typen onderwijs. Ik pleit wel voor het schenken van vertrouwen aan leerlingen om een constructieve bijdrage te kunnen leveren aan de invulling van de lessen bewegingsonderwijs. Leerlingen zijn deskundig op het gebied van hun eigen bewegen en dat van hun leeftijdsgenootjes, zij leggen namelijk de bal op twee meter van het doel! Het is een doelstelling van (bewegings)onderwijs de leerlingen te leren op een verantwoorde manier deel te nemen aan de omringende beweegcultuur (kerndoel 57). Maar wat is die ons omringende beweegcultuur in de wereld van morgen?

Er zijn in de afgelopen jaren tal van trendy activiteiten toegevoegd aan de beweegcultuur, denk aan: Slacklinen, Biketrial, Waveboarden, Freerunning, Archery Tag, Bossaball en Bubble Voetbal. En het is niet te verwachten dat dat in de komende jaren minder zal worden. Daarnaast worden ook de meer bekende sporten gekenmerkt door een veelvormigheid aan arrangementen en bijbehorende regels. De sport honkbal wordt onder meer gespeeld als Baseball, Softbal, Slagbal, Hit and Run, Pesapallo, Bränboll en Rounders, waarbij het voor de aard van de activiteit kennelijk niet uitmaakt hoeveel honken er in het speelveld liggen, hoe je de bal het veld in slaat en of je de honken linksom of rechtsom rondt. Het palet van de beweegcultuur is veranderlijker en veelkleuriger dan zich laat aanzien op basis van de traditioneel dominante sporten, zoals basketbal, volleybal, hockey, tennis en voetbal, die hun populariteit danken aan het feit dat ze wereldwijd beoefend worden, hun zendtijd op TV of de persoonlijke voorkeur van sportcommentatoren, zoals Mart Smeets.

Om onze leerlingen te leren deel te nemen aan de veranderlijke en veelvormige beweegcultuur moet we ze leren ‘samen met anderen’ op een respectvolle manier aan bewegingsactiviteiten deel te nemen, afspraken maken over het reguleren daarvan, de eigen bewegingsmogelijkheden inschatten en daarmee bij activiteiten rekening te houden (kerndoel 58). Binnen dit kerndoel wordt een belangrijke plaats ingeruimd voor de zeggenschap van leerlingen over het leren zelf in bewegingsonderwijs. Maar hoe kunnen we dat nu vorm geven in het onderwijs?

Op de Teaching Games for Understanding-conferentie deze zomer in Keulen gaf Joy Butler – professor bij het departement Curriculum and Pedagogy van de Universiteit van British Columbia in Vancouver, Canada – een presentatie waarin de rol van leerlingen bij het ontwerpen van sportspelen centraal stond. Onder de titel Inventing Games through Democracy in Action and Adaptation toonde ze de toehoorders voorbeelden uit de Canadese onderwijspraktijk, waarbij leerlingen hun eigen spelen ontwerpen. Omdat de leerlingen hun eigen spel ontwikkelen, zijn ze in de gelegenheid het spel op zo’n wijze te ontwerpen dat het speelbaar is voor hun persoonlijke niveau van cognitieve, psychomotorische en affectieve vaardigheden. Na het spel gespeeld te hebben bediscussiëren de spelers de manier waarop het spel aangepast kan worden, zodat het beter en plezieriger door iedere speler gespeeld kan worden.

De spelen ontwikkelen zich naarmate de spelers de spelmogelijkheden ontdekken door het spel te spelen en daarop te reflecteren. Door de leerlingen te stimuleren hun eigen spelen te ontwerpen helpen docenten hen hun gevoel van rechtvaardigheid en hun verantwoordelijkheid voor het beschermen van individuele en groepsbelangen te ontwikkelen. Om op deze wijze les te geven is het van het grootste belang diepgaand kennis te hebben van het beroepsmatig handelen als docent bewegingsonderwijs om op basis daarvan professionele kennis en vaardigheid toe te voegen aan het ontwerpproces van de leerlingen. Er is hier dus geen sprake van docent-gecentreerd onderwijs, noch van leerling-gecentreerd onderwijs.

Samen spelen regelen vraagt van de leerlingen de moed zichzelf te ontdekken in relatie tot de ander(en) en het andere en van de docent de moed zich onbevooroordeeld te laten verrassen, los te laten en ruimte te geven, kortom de moed om af en toe naar de verkeerde kant te duiken. Het is co-creatie van docenten en studenten, waarbij het prachtige risico van onderwijs wordt aangegaan. Goed onderwijs dat zijn naam waardig is, richt zich op zowel kwalificatie, socialisatie als op subjectivering (Biesta) en kan door co-creatie door alle betrokkenen op geïntegreerde en evenwichtige wijze binnen bewegingsonderwijs gerealiseerd, waarbij Biesta stelt: ‘Onderwijs is noodzakelijkerwijs gericht op de vrijheid en zelfstandigheid van degenen die onderwezen worden.’

Het vergroten van ‘de zeggenschap van leerlingen over het leren zelf’ heeft als resultaat dat zij zich ontwikkelen tot tolerante, open-minded, verantwoordelijke personen, die weten hoe ze hun mening moeten uiten en kunnen luisteren naar die van anderen; die goed opgeleide, actieve burgers voor een moderne democratische samenleving vormen. Door het spelen samen met de leerlingen te regelen en hen het vertrouwen te schenken dat ze kunnen omgaan met verantwoordelijkheid en eigenaarschap voor de bewegingsonderwijsleersituatie biedt de docent in dit onderwijs ons perspectief op een maatschappij, waarbij er zorg is voor de Frekies in onze samenleving, of ze nu motorisch onhandig zijn, dialect spreken, verstandelijk en/of lichamelijk beperkt zijn, in boerkini willen zwemmen of uit het buitenland komen.

2192-hetkind-%e2%80%a2-magazine-nr-5-nov-2016-omslagJaap Kleinpaste is opgeleid aan de Pabo, de Academie voor Lichamelijke Opvoeding en heeft Onderwijskunde gestudeerd. Daarnaast is hij opgeleid als coach en supervisor. Na vele omzwervingen door verschillende typen onderwijs is hij sinds 2004 werkzaam aan bacheloropleiding en meer recent aan de masteropleiding van de Christelijke Academie voor Lichamelijke Opvoeding (Calo).

Magazine hetkind: SPeEl-ruimte

Het magazine is opnieuw alleen in veelvoud (5 of meer) te bestellen. Het is gemaakt om het gesprek over pedagogisch goed onderwijs te voeden en te voeren. In jouw team, op jouw school, met jouw collega’s. De prijzen zijn laag gehouden om het blad zijn weg te laten vinden. Lees verder en verras jezelf en/of een ander.

Om u beter van dienst te zijn, maakt hetkind.org gebruik van cookies » Meer informatie