profiel

Rob van der Poel


robvanderpoel
Bekijk mijn profiel

twitter

Mogen struikelen als loyaliteit van ouder naar kind hetkind.org/?p=62583

Ongeveer 4 uur geleden op hetkind's Twitter via hetkind website

facebook
Een week die start met een supermaan: ‘Droomonderwijs dus. Houd mij en elkaar bij de les’

20 november 2016

robvanderpoel

De Socrates-lezing van Joep Dohmen over ‘moderne Bildung’ zette ik twee maanden geleden met een uitroepteken in mijn agenda. En toch besluit ik maandagavond rond 18 uur naar huis te rijden. Mijn hoofd is door de intensieve gesprekken in de braintrust van NIVOZ vol.  Ik zie nog net de Supermoon boven Leidsche Rijn – daar waar mijn thuis is – aan de horizon verschijnen. 

supermoon-adelaide-august-2015-photography1 Maar nu is het vrijdagmiddag, vier dagen later. En via een post op Facebook van Helmar Niemeijer – met lerares Ilja van Laar wel aanwezig in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag – lees ik toch over de mooie maandagavond, georganiseerd door het Humanistisch Verbond. Ze gaat er nog over schrijven, zegt ze, maar deelt alvast het filmpje van Mounir Samuel. Ik word er stil van. Na de eerste keer kijk ik nog een keer.

De 27-jarige Mounir is een Nederlandse politicoloog, publicist, Midden-Oostencorrespondent en woordkunstenaar met een Egyptische achtergrond. Hij verzorgt een inleiding op het thema ‘moderne Bildung’ en zet zichzelf daarbij letterlijk in. ‘Ik heb mijn hele onderwijsverleden, allemaal gewist. Het was de ergste, moeilijkst, pijnlijkste, langstdurende, slependste periode uit mijn leven.’ Mijn aandacht heeft hij te pakken.

Immers, deze Mounir heeft ook vrouwelijke trekjes. En zijn stem is hoger dan je van een man verwacht. Maar een paar minuten later ben ik – zo valt me op – aan die eerste waarnemingen voorbij. Ik zie een bewogen, bevlogen mens die zich grote zorgen maakt over de samenleving, over het onderwijs, over de ontwikkelingen in Amerika: een nachtmerrie, maar dan real life. ‘Dit is het moment van absolute urgentie, we kunnen ons geen dag meer permitteren dat wij – dames en heren – de nieuwe generatie nog verder laten vallen in het gat dat door u – door iedereen boven de 20 jaar – gegraven is.’ Ik zie mezelf naar voren schuiven, dichter op mijn scherm.

‘We leven in een politiek-economisch, milieu- én sociale crises,’ vervolgt Mounir – die tot vorig jaar Monique heette, zo weet ik inmiddels via Wikipedia –  ‘en ik zou daar als gelovige nog een geestelijke crisis aan toe willen voegen. Want ik vind dat Nederland aan een diepe geestelijke armoede leidt. En wat doen wij? Wij leiden onze kinderen op om de BV Nederland vooral draaiende te houden, met de iPad als grootste onderwijsvernieuwing. Maar ik wil geen Apple-onderwijs, de menselijke val begon immers ook met een appel in een paradijs. Ik wil… droomonderwijs.’

schermafbeelding-2016-11-19-om-18-13-48-1 Wat volgt is een soort poetry-performance die ook qua inhoud een snaar raakt. Een passage…

…Toen ik besefte dat kleur slechts ‘perceptie’ is
en dat alles wat wij maken maar ‘tijdelijk’ is,
toen ik durfde te kijken voorbij de menselijke grens,
zag ik dat ik eigenlijk niet zo anders ben…

(Kijk dus dat filmpje, zeker vanaf ongeveer minuut zes)

Ik beluister de woorden – zijn boodschap – een derde keer. En begin ze te plaatsen langs het gesprek dat we met collega’s en hoogleraar Gert Biesta diezelfde maandagmiddag voerde. Hij duidde het zo gemakkelijke gebezigde begrip democratie. ‘Dat is voor mij geen waarde,’ betoogt Biesta, daar waar het – zelfs in politieke debatten – wel als zodanig wordt gebruikt (of liever misbruikt). Immers, de meeste stemmen gelden. Met alle gevolgen en gevaren vandien. Democratie is veel meer ‘een set van waarden’-  zo leer ik, die het mogelijk maakt dat mensen hun leven op een bepaalde manier kunnen leven. Democratie maakt pluraliteit, een een pluraliteit aan waarden, pas mógelijk. Biesta: ‘Democratie is dus veel eerder een mogelijkheidsvoorwaarde. En die is hier en daar in de wereld onder druk komen te staan.’

Dus ja, vrijheid van meningsuiting. Maar niet voor politiek gewin, voor macht, voor een beweging, zoals het nu gebruikt wordt. Of zoals we ons laten gebruiken. Daar is ook Mounir zich van bewust. En daarvoor dienen we onszelf op te richten. Daar zit ook zijn woede, vermoed ik. Want wat de tijd vraagt is een (morele) verantwoordelijkheid, een normativiteit. Om te gaan staan, om je om te draaien! Om de democratie –jouw/onze dromen  – mogelijk te maken, te behouden, te exploreren.

Oh, laat niet nog een generatie vergaan,
doordat de dromers niet op durven te staan,
kinderen leer toch de taal te verstaan,
van hen die ons roemrijk zijn voorgegaan,

Dromen zijn als zuurstof voor de geest,
zonder hen reutelt moeder aarde verweest,
niets dat haar nog van haar bronchites geneest
dan de dromer die onbevreesd spreekt:
droom dan toch, droom dan toch, droom!
 
Normativiteit. Een moeilijk begrip, zeker in het onderwijs.
Want hoe kunnen we normatief zijn, maar niet moraliserend? Moraliserende pedagogiek is immers ook geen goede pedagogiek. Biesta wijst mij op een ander perspectief. Het is niet zozeer de waarde die je moet kiezen om ‘het goede’ te kunnen doen. Het gaat over: wat is de opdracht die je tegenkomt, in onderwijs en opvoeding? Als pedagoog? Wat wordt er van je gevraagd, door dat ene kind, in die klas. Het is dus ‘wat er in de situatie op het spel staat. Altijd weer.’

‘Als een kind geboren wordt, dan ga je als ouder ook niet eerst je visie bepalen voor de eerste week. Nee, dan wordt er iets in het moment van je gevraagd,’ geeft Biesta een voorbeeld dat direct veel duidelijk maakt. Het direct vertalen van visie en waarden naar onderwijspraktijk, zonder gesprek of dialoog, is arm, beperkend en te zeer bepalend. ‘Het kind wordt mogelijk iets (een object) waarop je waarden projecteert. Terwijl je dan niet de ruimte laat voor het kind om als vrij mens (als subject) te verschijnen.’

Ik denk aan mijn eigen woorden in de bijeenkomst van het Speelforum, waar ik dinsdagmiddag bij de Universiteit van Leiden aanschoof. Temidden van 60 andere ‘spelbehartigers’ in het brede maatschappelijke veld (pedagogen, leraren, wetenschappers en andere betrokkenen) hoor ik mezelf – in het slot van het debat – wijzen op ‘de speelruimte’ die voorwaardelijk is om aan de ander (in dit geval kinderen) autonomie te kunnen verlenen. Het is ook een reactie op het geluid waarin zelfs spel of spelen als een methode, vak of ding wordt gezien dat kinderen zouden moeten doen, omdat het goed is voor hun ontwikkeling, voor hun taal, voor hun alles. Natuurlijk, dat is het ook. Maar fundamenteler is voor mij ‘de speels attitude’ – zoals Elly Singer (kinderpsycholoog, pedagoog en onderzoeker) mij deed inzien, toen ik haar interview voor het laatste kind-magazine. En het een sluit het andere ook nooit uit. ‘Juist in die disciplinesituaties, in de dingen die moeten, is die speelse houding zo belangrijk.’

image-1Weer een dag later loop ik door De Meervaart, waar een studiedag plaatsvindt voor liefst 700 onderwijskrachten van 15 Amsterdamse basisscholen, vanuit de stichting Westelijke Tuinsteden. Marcel van Herpen en Luc Stevens verzorgen in de ochtend een voor mij vertrouwde inleiding op het thema Pedagogisch handelen moet je doen! Maar ook een groot deel van het publiek verstaat de woorden, zo blijkt tijdens de middaglunch. ‘Hier kun je het niet oneens mee zijn,’ zegt een sportleraar, nadat de knellende structuren en dito fenomenen door Marcel met humor en tegelijk ernst op tafel zijn gelegd. ‘Dit moet je met z’n allen zo niet meer willen doen.’

Maar hoe dan wel? Ook hier wordt de pedagogische opdracht centraal gezet. Dus niet meer tactisch, strategisch moeilijke situaties (vaak gedragsconflicten) oplossen, maar die ene vraag aan het kind willen stellen: wat kan ik voor je doen? Of, nog beter: wat doe ik verkeerd, waardoor jij dit gedrag vertoont? Luc vult vooral aan: ‘Leraar wie ben jij, dat is wat de kinderen van je willen weten. Vanaf de eerste minuut. Persoon en professie zijn één. En daarvoor is openheid nodig, in de lerarenkamer, ook tussen leraren onderling.’

Ik praat met een Amsterdamse schoolleider en een van zijn leraren. Ze kennen elkaar al bijna 10 jaar in deze rolverdeling. En vooral de laatste drie jaar is er in hun praktijk veel veranderd. Veel eigen verantwoordelijkheid, eigenaarschap naar de leraren, zo vat ik kort samen. Dagelijks gesprek, binnen klassejaarteams en overstijgend. ‘Ik heb het erg naar de zin, zit helemaal op mijn plek en voel dat ik kan zeggen wat ik te zeggen heb. Nee, ik houd me niet meer in.’ Ik concludeer dat deze juf en haar schoolleider het (ook samen) goed hebben. Of dat voor de kinderen ook geldt, kan ik vanaf deze plek niet zien. Ze ontbreken op dit congres.

Ook in de middag ontdek ik in een van de masterclasses – door NIVOZ-collega Roland Schut gegeven – dat er weinig schroom is onder de deelnemers. De Montessori-leraar is in de kring opvallend aanwezig, gewend als zij wellicht is haar stem te laten horen. En ook de jongste kracht toont direct enige vorm van kwetsbaarheid. Roland heeft het over de transitie van moet naar moed. Er wordt gesproken over een pedagogische grondhouding en gewezen op criteria als welbevinden en betrokkenheid, de kernbegrippen uit het EGO-onderwijs. ‘Gaat een kind met plezier naar school, ontwikkelen ze zich naar hun mogelijkheden, met andere woorden: ‘laten ze zien wat ze kunnen en mogen ze dat ook laten zien?’

Daar komt de betekenis van ‘perspectief van de ander’ leren innemen, om de hoek.

Ons – en ook mij – wordt gevraagd een lijstje van namen op te stellen, van de kinderen in de klas. ‘Maar het mogen ook je collega’s zijn,’ zegt Roland. ‘En welke woord komt er dan bij elke naam in je op?’ Een grappig onderzoekje naar hoe je onbewust ‘kijkt’ en mogelijk ‘denkt over’. Er vallen aan mijn rijtje een aantal dingen op. De collega’s die het dichtst in mijn belevingswereld zitten, staan bovenaan. Ik zie – als ik mijn antwoorden nader bekijk – dat ik eerst en vooral vanuit mijn eigen last (en perspectief) kijk. En dus beoordeel. Daarin blijk ik niet de enige.

Daarom een oefening, waarin Roland met een aantal vragen over die ene lastige leerling (of collega, je kunt er alles voor gebruiken:-) het perspectief bij mij langzaam doet verschuiven. Van mezelf naar de ander. (Het lijstje met vragen vind je in de foto’s – ook goed om thuis te oefenen). ‘Je leert opnieuw te kijken, met een open, frisse blik, zo reageren leraren uit de kring. ‘Je ziet beter wat die ander nodig heeft, je zit er zelf niet meer tussen.’

img_8697img_8698

 

 

 

 

 

 

img_8699

Die open luisterhouding is voorwaardelijk voor pedagogisch tactvol handelen en blijkt – niet toevallig – ook gewenst in het pedagogische café, waar Erik Schwab van De Horizon om tien stellingen vraagt, die we aan gesprekstafels gaan onderzoeken. Waarom moeten we in het onderwijs zoveel? En waar komt dit moetisme vandaan? Die vraag komt van een gymdocente die recent in haar normativiteit/praktijk werd getoetst, omdat ze zelf geen cijfers aan leerlingen wilde geven. ‘Ik kijk naar ontwikkeling en daar passen geen absolute getallen bij. Ik wilde daar dus niet aan meedoen.’ Ze voelt de druk, haar eigen grens, haar eigen waarden. Maar gaat het hierin om een gelijk?

Het is een relatief klein voorbeeld, maar in de kern alleszeggend. Zijn we in staat zijn om met elkaar een gesprek hierover te voeren. Kunnen we verschillen zien en erkennen.

toen ik durfde te kijken voorbij de menselijke grens,
zag ik dat ik eigenlijk niet zo anders ben…
 
Elkaar bevragen, om onszelf en elkaars handelen te legitimeren, om te leren om het goede te doen, om te voorkomen dat we in eigen belangen blijven hangen en mogelijk anderen tekortdoen. Om ruimte te geven en verantwoordelijkheden daar te leggen waar ze horen.

Geen laissez-faire en loslaten.
Maar het kind zien, in zijn of haar mogelijkheden.
Droomonderwijs dus.
We blijven onderweg. Houd mij en elkaar bij de les.
En daar waar nodig even vast.

Rob van der Poel is onder meer werkzaam als redacteur en samensteller van platform hetkind en verbonden aan NIVOZ. Hij opereert vanuit Raakvlak.

Om u beter van dienst te zijn, maakt hetkind.org gebruik van cookies » Meer informatie