profiel

Kris Van den Broeck


Kris Van den Broeck
Bekijk mijn profiel

twitter

‘Hoe meer mens ik ben, hoe makkelijker het voor mijn leerlingen en mij wordt om elkaar als zodanig te behandelen’ hetkind.org/2017/12/17/hoe…

Ongeveer 11 uur geleden op hetkind's Twitter via Twitter Web Client

facebook
Juffen van weleer, dat hebben jullie me geleerd: niemand verdient het een ‘aanhangsel’ te zijn

29 november 2016

Kris Van den Broeck

Aan de documentaire ‘De kinderen van juf Kiet’, hield de Vlaamse kleuterjuf Kris van den Broeck een ongemakkelijk gevoel over. Het herinnert haar aan haar eigen schooltijd. Aan hoe zij anders was door haar dialectspraak dan de meeste kinderen en als een ‘aanhangsel’ behandeld werd. Dat zou ze later – zelf voor de klas – anders gaan doen. Haar kritische blog: ‘Wie had het over onveiligheid?’

boys-932364_640-1Ik denk dat ik drie, of wat ouder was, misschien, toen ik voor het eerst naar school ging. Ik kwam terecht in een groep kinderen die – in tegenstelling tot mezelf – uit ‘de grote gemeente’ kwamen waar de school stond. Mijn broertje en ikzelf kwamen uit een klein dorpje in de buurt van wat voor ons ‘de stad’ voelde. Een aanhangsel, een boerendorp. Ik ben dan ook letterlijk dochter van een arbeider en kleindochter van kleine landbouwers.

De term ‘aanhangsel’ voelt zoals hij klinkt. Wij spraken thuis dialect, plat Vlaams, doorspekt met wat Brussels, een eigen taaltje, want mijn beide ouders kwamen ieder uit een ander dorp. Een mengelmoes dus. Mijn moeder maakte veel van mijn kleren zelf, ze was naaister van opleiding, en ik was dat heel gewoon. Op de school waar ik startte, droegen kinderen geen handgemaakte kledij. Mijn vader werkte in een fabriek, had net als zoveel andere jongens in die tijd de school verlaten op zijn 14e om thuis op de boerderij mee te helpen. En daarnaast had hij ook nog een bijverdienste. Er moesten zes monden worden gevuld. We hadden een grote tuin, en alles wat nodig was opdat ik samen met mijn drie broers plezier kon maken. Vader teelde zelf onze groenten, moeder bleef thuis voor al dat huishoudwerk. Maar we hadden ook veel boeken thuis, dat wel, en gingen al vroeg wekelijks naar de bibliotheek. Later werd ons vooral verteld dat we goed moesten studeren. Luieren of met slechte punten naar huis komen… not done. Maar dat wisten ze niet op mijn school, of… er werd nooit naar gevraagd. Ik was ‘een kind uit dat boerendorp’, ‘een nevenverschijnsel’, ‘iets wat er nu eenmaal was’, een ‘aanhangsel’ dus. 

Mijn vroegste herinneringen zijn van dien aard dat mijn grote broer me de hele weg naar de klas meesleurde, omdat ik huilend over straat liep en niet meewilde. Terwijl de non waar ik in de groep bij kwam, wel lief was in mijn beleving. Alleen heb ik niet zo lang bij haar gezeten. En misschien was dat een beetje mijn pech.

Ik kwam na een tijdje in de grote school terecht. Nog steeds als kleuter, maar op een immense speelplaats, waar voor mij alleen maar onveiligheid gold. Er werd me al snel duidelijk gemaakt dat ik met dat taaltje van me nergens zou komen en werd aan de kant gezet tot ik fatsoenlijk verstaanbaar Nederlands zou praten. Als ik nu lees over ‘pestgedrag’ dan denk ik terug aan mijn kinderjaren. Niet in het minst aan mijn leerkrachten. Al vanaf het begin wisten ze me te pakken op wat me het meest raakte: mijn thuis, mijn achtergrond, mijn taal, mijn eigenheid, mijn Zijn.

Een voorbeeld? Ik had problemen met zindelijkheid. Ik herinner me nog het moment dat ik de grote speelplaats over werd gesleept door één van de juffen, luidkeels roepend dat dat stomme kind het weer in haar broek had gedaan. Wie had het over onveiligheid?

Mijn klasgenoten volgden het voorbeeld van de leerkrachten. Ik was niet het enige doelwit, we waren met enkelen. Enkele meisjes die met dezelfde achtergrond op dezelfde school zaten, en als ‘aanhangsel’ werden gezien. Geen plek kregen, geen gehoor. Klinkt het zwart-wit? Het was niet anders. Toen mijn juf ons vroeg welke koffiekoeken we thuis kregen en ik het dialectwoord voor ‘krentenbol’ gebruikte, lachte ze breeduit en herhaalde het een paar keer, mijn klanken nabootstend.

Tja… jammer voor haar, mijn vriendschap heeft ze nooit gekregen. Mijn respect ook niet. Alleen maar mijn angst om nog een woord te zeggen. Maar we moesten wel, mijn ‘soortgenoten’ en ikzelf. Spreekbeurten houden, natuurlijk, in schoon Vlaams. Stotterend en haperend, knalrood, stond ik op die tribune. Niet uit mijn woorden rakend, met de juf breeduit glimlachend voor me, terwijl ze me vertelde dat ik maar beter weer kon gaan zitten. Ik durfde zelfs niet te vragen of ik naar het toilet mocht. Toen ik daar op een dag wat te lang bleef zitten, kwam de leerkracht me zoeken, om me aan te manen dadelijk tevoorschijn te komen. Wie had het over onveiligheid?

Kort samengevat: ik moest, wij moesten, ons ‘integreren’. Waar we ook vandaan kwamen, de norm van de school werd gehanteerd, niet bediscussieerd en ik werd voor ‘dom’ afgedaan. Na de lagere school kreeg ik het advies om een technische richting te gaan volgen. In die tijd een ‘schande’, een ‘taboe’, wie in een technische richting terechtkwam, was echt wel heel onbegaafd. (Voor alle duidelijkheid: ik heb er zelf niets op tegen, integendeel. Mijn eigen zoon heeft op de technische school gezeten, zijn eigen keuze, hij wilde immers kunnen studeren wat hij zelf wou.)

Maar toen, in die tijd… nee, beste ouders, het zou nooit lukken, dat ASO (algemeen secundair onderwijs, vergelijkbaar met het vwo in Nederland, red.). Mijn ‘gedrag’, daar was niets op aan te merken. Ik was een braaf kind, ik sprak nooit tegen, ik deed alles wat van me werd gevraagd. Maar dat ik thuis de hele dag zat te lezen en een boel kennis in mijn hoofdje had vergaard, dat ‘kon niet’. Ah nee, ik had het stempel ‘dom’ en daar bleef het bij. Het heeft geduurd tot ik in de middelbare school op een dag een fout zag bij de leerkracht die wiskunde gaf en heel, heel voorzichtig mijn vinger opstak om te vragen of dat cijfer wel juist was wat daar op het bord stond. Ze reageerde zoals het een goede leerkracht betaamt: met een verontschuldiging vanwege haar fout en een pluim voor mij omdat ik het had opgemerkt. Eindelijk had er iemand in de gaten dat er in die ‘holle hersenen’ van me toch iets meer zat. Ik denk dat er toen al een kiempje werd geplant voor later.

Want ja, ik ging wél naar het ASO, en ja, ik ging nadien ook naar de hogeschool, om voor vertaler of tolk te studeren. Maar de faalangst kwam terug. In het tweede jaar van mijn opleiding deed die me de das om. Ik was toch niet slim genoeg om dat diploma te halen? Zie je wel?

En toen kreeg ik de kans om nog even wat anders te gaan doen. Het werd kleuterjuf. Dat ben ik intussen zo’n 34 jaar. Met enthousiasme. Met stijgend enthousiasme zelfs. Mijn faalangst en mijn gebrek aan zelfwaardegevoel zijn me al die jaren blijven achtervolgen… Dank u wel, beste juffen van mijn kindertijd… Maar ik heb wel iets van hen geleerd. Namelijk hoe het NIET moet. Of positiever: Hoe het OOK kan.

Een buitenbeentje heb ik me altijd gevoeld. Ik wilde meer en meer, ik wilde leren, ik wilde zien en kijken, ik wilde uitdaging en mezelf verbeteren, altijd maar weer. In al die jaren dat ik werk, heb ik nog nooit een les gekopieerd van een vorig jaar. Zo werk ik niet. Het komt uit mijn buik. Als het niet goed voelt, doe ik het niet. Dat brengt een hoop heibel mee, op sommige momenten. Ik ben wel vaker met mijn gezicht tegen de deur aangelopen, maar het heeft geloond.

Het loont elke dag opnieuw. Ik zie kinderen in mijn klas die samen met mij plezier willen maken, zomaar, omdat dat leuk is. Ik zie kinderen in mijn klas die geen woord Nederlands praten, en die dat na een paar maanden toch doen, zomaar, omdat dat leuk is. Ik zie kinderen hun gevoel uiten, met woorden of met prenten, tonen dat ze blij zijn, of heel verdrietig, boos of bang. Ik zie de andere kinderen daarop reageren en belangstellend kijken hoe dit verder gaat. Ik kan nog duizend dingen schrijven. En ik weet ook dat ik regelmatig de mist in ga. Dat ik mezelf terug moet fluiten. En dat het soms niet loopt met een kind zoals ik het had gewild. Dat alles trager gaat en langer duurt en dat het moeilijk is. En dat ik soms mijn vertrouwen verlies in mezelf, of de hoop, dat het wel goed komt allemaal. Maar ons klaslied is ‘Happy’, van Pharell Williams. Daarop gaan we total los. Dus juffen van weleer, dat hebben jullie me wel geleerd: dat het ook op een andere manier kan, met respect voor de eigenheid van elk kind. Want niemand verdient het om als ‘een aanhangsel’ bejegend te worden.

Kris Van den Broeck is leerkracht op basisschool Vierwinden in Sint-Jans-Molenbeek. Zij schrijft ook op haar eigen blog.

Om u beter van dienst te zijn, maakt hetkind.org gebruik van cookies » Meer informatie