profiel

Geert Bors


Geert Bors
Bekijk mijn profiel

Wilma van Esch


Wilma van Esch
Bekijk mijn profiel

twitter
facebook
Ruimte geven is ook: obstakels in de weg laten liggen

9 februari 2018

Geert Bors

Geplaatst in:

‘Een spreekbeurt kun je niet doen voor een ander. Dat is leren. De pijn van een knie kapotvallen, kun je niet overnemen. Ook daar zit leren. Ruimte geven voor autonomie is ook experimenteerruimte aanbieden.’ Op de eerste ochtend van de Nederlandse Jenaplan Conferentie afgelopen november, luistert een boordevolle zaal naar Wilma van Esch. Zij betoogt dat ‘ruimte bieden voor autonomie’ aan je kinderen betekent dat je zelf ook goed bewust moet zijn van jouw autonome verantwoordelijkheden. NIVOZ-redacteur Geert Bors was erbij en schreef mee. Dit artikel is afkomstig uit het blad Mensenkinderen.

Foto: Larissa Rand

‘Toen ik maanden terug uitgenodigd werd, dacht ik: waar zal ik over vertellen? Het verzoek dat ik toen kreeg was: “Kun je praten over zelfsturing, over autonomie en hoe wij kinderen ruimte kunnen geven daarvoor?”‘, zo begint Wilma van Esch haar keynote op de openingsdag van de NJPV-conferentie. ‘Nou zit ik zelf in een sabbatical, dus tijd en ruimte is er. Maar juist in deze ‘vrije ruimte’ kan ik eigenlijk niet zo makkelijk over mezelf zeggen wie ik ben, als zelfsturend, autonoom individu.’

‘Ik ben erg bezig met een zoektocht naar het juiste midden, zoals Aristoteles ‘de deugd in het midden’ zocht. Ik ben geraakt door die oude Grieken. Door hun kardinale deugden van moed, rechtvaardigheid, verstandigheid, matigheid. Aristoteles zegt dat er geen absoluut ‘goed’ is, alleen het juiste midden. Bij de deugd ‘moed’ balanceer je tussen de extreme polen ‘overmoed’ (te veel moed) en ‘lafheid’ (te kort aan moed). In sommige situaties betekent het bewandelen van de juiste moedige middenweg dat je roekeloos moet zijn. En een andere keer juist dat je je afzijdig moet houden. In pedagogische situaties met je kinderen heb je die balansoefening ook van moment tot moment te doen: wanneer handel ik goed? Ook daar is geen in steen gehouwen ‘beste actie’, die je op de Pabo op het droge kunt aanleren, maar is het de opdracht om telkens weer het juiste midden af te wegen.’

Aristoteles’ deugdethiek en zijn praktische wijsheid hebben grote verwantschap met hoe een leraar in zijn of haar groep staat: tactvol afstemmend op de kinderen. In haar zoektocht naar het juiste midden voor de vraag naar ‘ruimte voor zelfsturing en autonomie’, gaat Wilma langs drie factoren: aanpak, proces en effect: ‘Doen we het goede? Aan de effect-kant bezie je het waartoe van je onderwijs. Bij de aanpak gaat het om de vormen waar je voor kiest. Maar het belangrijkst is: wat gebeurt er in het proces?’

I’m gonna make a joke now

Van Esch neemt haar toehoorders mee naar Sint Maarten, het eiland dat ze pal voor hurricane Irma verliet. ‘Een dag nadat mijn vliegtuig weer in Nederland geland was, lag alles er plat. Het was zo veel heftiger dan ieder had zien aankomen. Maar toen ik er was, functioneerde alles nog en werd ik gevraagd mee te kijken naar de early childhood education. Ik was onder de indruk van veel dingen. Toch viel me wel op dat kinderen van 3 jaar de hele dag werkjes moesten doen. Telkens twintig minuten en weer door naar het volgende. Van ruimte voor initiatief en vooral ook samen vrij spelen, was bij deze werkactiviteiten weinig sprake.’

Wilma’s aandacht werd getrokken door een jochie met een houten puzzel. ‘Twintig minuten had hij, voor één puzzel die hij al veel vaker gemaakt had. In de eerste vijf minuten had hij hem al vier keer gelegd.’ Op dat moment keek de jongen Wilma aan: ‘I’m gonna make a joke now’, zei hij met pretoogjes. Wilma: ‘Zijn buurmeisje waarschuwde nog: “Doe nou niet”, maar hij deed het wel. Zorgvuldig legde hij alle stukjes op de verkeerde vakjes. En op dat moment kwam de teacher langs, en dan gebeurt er waar je bang voor bent. “What’s this? Dit bloemetje hoort niet hier. Waar hoort het wel?” Ik moest de neiging onderdrukken het over te nemen.’

‘Maar’, zo stelt Van Esch zichzelf en de zaal de vraag: ‘is dit een slechte leerkracht? Nee, dat denk ik niet. Maar ze zit ingebed in een systeem waarin we alleen maar bezig zijn met effectiviteit, met alles dat op uur en tijd moet. Je ziet niet meer wat er in het proces gebeurt.’

Na haar observaties vroeg Wilma aan de leerkrachten: wat heb je nodig om jullie kinderen niet ontmoedigd te laten raken? Dat de taakjes voor de driejarigen niet heel spannend waren, besefte het team ook. ‘Meer geld voor leermiddelen’, was een antwoord. Maar Van Esch zag iets anders: waar de kinderen van een half jaar jonger, na hun middagslaapje, hun eigen bedjes opruimden – in alle kalmte en vanzelfsprekendheid, veranderde er iets op het moment dat de kinderen in de kleutergroep terecht kwamen: opeens werden de schilderschorten vóór hen aangedaan. Door de juffen. Domweg omdat er opeens curriculumdruk op het onderwijs kwam te liggen, waardoor de leerkrachten gingen controleren en beheersen. Weg zelfbeschikking van de kinderen.

Spiegelmoment

‘Er heerst op Sint Maarten grote zorg over de pubers. Een aanzienlijk percentage raakt op het verkeerde pad’, vertelt Wilma. ‘Ik vroeg de vroegschoolse teachers: wat heeft jullie jeugd nodig om het hier te redden? De antwoorden: zelfvertrouwen, verantwoordelijkheid, probleemoplossend vermogen, kritisch denken.’ En wie wijst ze de weg naar dat zelfvertrouwen, die zelfsturing, ging Van Esch verder. ‘Niet de ouders, want die hebben het te druk. Niet de basisschool, want die is hier vooral cognitief georiënteerd’, kreeg ze te horen.

‘”En jullie dan?”, vroeg ik. En toen werd het stil.’ Maar het is een stilte, een spiegelmoment, voor iedereen in de zaal: draagt wat wij doen altijd bij aan wat we willen bereiken, als een kind tot een autonoom mens te laten opgroeien ons beoogde doel is? Uit Nederland kan Wilma ook talloze hulpmiddelen en aanpakken noemen, die vaak niet bijdragen aan de gewenste onderwijsdoelen – neem de time-timer, de plasketting, het plusplekje.

‘De kring is een prachtige activiteit, die zeker ook in Jenaplan heel belangrijk is, maar soms klopt het niet in de groep. Dan is er onvoldoende betrokkenheid of welbevinden. Dan wordt de kring een vorm en zomaar ‘vormen’ is niet zonder risico’s.’ Met een foto van een Chinees voetje dat klein gehouden is in te krap schoeisel – een oud cultureel schoonheidsideaal – laat Wilma zien dat sommige vormen ook vervormingen kunnen veroorzaken. ‘In onze klassen kunnen onze afgesproken vormen ook veel subtieler vervormen: een verkeerslicht in de klas kan prettig zijn, maar wat als de juf vooral vaak het rode licht gebruikt en je vaak stil moet zijn: wat leer je over de grote wereld wanneer je vooral stil moet zijn?’

Kortom, stelt Van Esch: ‘stem wat je beoogt af met je aanpak. Klopt het effect bij de gekozen vorm? Zie ik welbevinden en betrokkenheid? Want ons grote doel is toch dat onze kinderen het redden, dat ze stevig in de wereld leren staan.’

Opvoeden als een curling-bezemer

Tussen aanpak en effect, voltrekt zich het proces – het derde element waarop Wilma gebalanceerd de gulden middenweg wil bewandelen. Wanneer je onderwijskwaliteit wilt verbeteren, kun je inzoomen op aanpak, proces of effect. In het proces krijg je direct feedback op je gekozen aanpak. Daar zie je welbevinden, betrokkenheid. Daar kun je ontdekken of je kinderen onder- of overschat. Maar onze processen, ons echt kijken naar het kind vlak voor ons, wordt bemoeilijkt door onze cultuur van meten en wegen.

Dat ervoer Wilma al op het consultatiebureau met haar twee kinderen: ‘Ik vond dat ik de mooiste baby’s van de wereld had, maar op het consultatiebureau werd ik onzeker. Ik had kleine dikkertjes: in lengte onder de gemiddelde-curve, qua gewicht erboven. Terwijl ze het goed deden, baalde ik toch altijd. En toen ging het bureau me advies geven over extra nachtvoeding. Iedere nacht worstelde ik om mijn dochter wakker te krijgen – en mezelf ook – en pushte ik haar te drinken. Dat hield ik met hangen en wurgen heel lang vol, tot ik later op hetzelfde bureau te horen kreeg: “Oh, zit je nog steeds aan de nachtvoeding? Die mogen er al lang af, hoor.”‘

Wilma wil maar zeggen: wanneer laat je het controlesystemen van je overnemen? En hoe zorg je dan dat je eigen denken niet stopt? Wanneer vertrouw je jezelf? ‘Ik zie veel onzekerheid bij professionals, omdat we maar blijven meten, wegen in een poging het leven controleerbaar en beheersbaar te maken. In de opvoeding en scholing van onze kinderen lijken we wel curling swiffertjes: die bezemers, die telkens de baan warm en gladstrijken, zodat onze kroost zo wrijvingsloos naar de overkant kan glijden. Dat is een beweging die veel IB’ers, remedial teachers en ouders maken. Maar zo gaat ontwikkeling niet: we leren het beste en het diepste, als we ergens moeite voor moeten doen.’

Dia’s van de baby head protection pad, strikplankjes en tuimelbekers voor dementerende bejaarden volgen. Telkens symptomen van een wens om zo weerstandsloos mogelijk op te voeden. Ieder risico uitgebannen. ‘We slaan door in het beschermen. En zo’n tuimelbeker gebruiken voor je kind toont onze niet-aandacht. Wat je wilt doen, is erbij zitten en met het kind meedoen. En een keer een kletsnatte trui van zijn bekertje leert hem veel sneller dat het best handig is om een goede drinktechniek te gebruiken.’ De grappigste dia: een jochie dat in korte broek van een aluminium glijbaan afgestoven komt en de kijker die ziet hoe de laatste drie meter een levensgrote kaasrasp is. De uitleg: waar zijn we precies bang voor en kloppen onze risico-inschattingen wel altijd?

Competenties versus prestaties

Behalve uit het ErvaringsGericht Onderwijs (EGO), haalt Wilma veel inspiratie uit Reggio Emilia. Een citaat van grondlegger Loris Malaguzzi vat samen hoe zij naar kinderen wil kijken: ‘Our image of the child is rich in potential, strong, powerful, competent and, most of all connected to adults and other children.’

Wat is dat ‘beeld van een kind’, morgen in de stamgroep? Hoe onderscheid je dat ‘rijke potentieel’? EGO-voorman Ferre Laevers leerde haar naar competenties te kijken: ‘Mensen vinden het moeilijker om competenties te zien dan om prestaties te zien. We zijn niet allemaal Cirque du Soleil. Dat is uitmuntende grove motoriek. Wij gewone stervelingen moeten tevreden zijn met een gemiddelde motoriek. Zo beschrijft Laevers tien competenties, als grove en fijne motoriek, beeldende, muzikale, talige, sociale competenties. Elk daarvan wordt geoefend in de klas. Het is aan jouw inzicht in de pedagogische situatie of je ziet welke competenties een kind aan het ontwikkelen is, zelfs al toont die ontwikkeling zich niet in Cirque du Soleil-achtige topprestaties. ‘Dat vraagt om het doen ontwaken van je aandacht, je verwondering.’

En daarmee komt Wilma terug bij de themavraag: hoe geef je ruimte voor initiatief, voor autonomie-ontwikkeling? ‘Kinderen zijn van nature geneigd zichzelf best uit te dagen. Neem de uitdaging van een ingewikkelde tekening.’ Van Esch toont de resultaten van een groep kinderen die zichzelf op een mountainbike getekend heeft. Dat vraagt wat: hoe zit een lijf op een fiets? Hoe buigt je bovenlichaam zich naar het stuur? Hoe teken je de buiging van benen op de trappers? Hoe teken je de aandrijving? Waar ontneemt de fiets een been aan het zicht en waar andersom? De resultaten zijn fraai. ‘Maar dít gebeurde er tussendoor’, klikt Wilma haar slideshow verder: getergde koppen van de kinderen. De een legt zijn hoofd op tafel, de tweede kijkt hopeloos naar het plafond, de derde trekt een grimas.

‘Had het geholpen om hier te zeggen: “Ik help je wel even” of “Misschien kun je iets anders kiezen”. Maar is dat leren? Natuurlijk niet. Een spreekbeurt kun je niet doen voor een ander. Dat is leren. De pijn van een knie kapotvallen, kun je niet overnemen. Ook daar zit leren. Ruimte geven voor autonomie is ook experimenteerruimte aanbieden. En mogelijkheden om wrijving en weerstand te ervaren niet weghalen. Want dan leert een kind echt. Dan zie je de kick als het gelukt is.’

Dans op de buitenmaten

Ruimte kunnen geven betekent ook zelf ruimte kunnen nemen. Kunnen inpassen, maar ook zelfsturend durven te spelen met de marges van het systeem. Wilma sluit af met een foto van paarden langs een snelweg. Ze staan onder een enorme tafel met stoelen.

‘Dit noem ik een creatieve verkenning van de buitenmaten. Deze boer wilde een afdak voor zijn paarden, om schaduw te bieden in de hete zomerzon. Maar dat mocht niet van de autoriteiten: langs de snelweg mocht er niet gebouwd worden. De boer dook de wetboeken in en ontdekte dat hij wél een kunstwerk mocht plaatsen. En dus gaf hij een kunstenaar opdracht om tafels en stoelen op reuzeformaat te maken. Kunst in de wei, en een schaduwplek voor zijn dieren. Die creativiteit gun ik ons in onze scholen allemaal. Ik gun ons de dans op de buitenmaten.’

Wilma van Esch is doorgewinterd onderwijsspecialist. Ze heeft veel rollen gehad, van leerkracht en IB’er tot Pabo-locatieleider en directeur in de kinderopvang. Lange tijd was ze projectleider voor het ErvaringsGericht Onderwijs in Nederland. Wilma begeleidt, spreekt en schrijft. 

Om u beter van dienst te zijn, maakt hetkind.org gebruik van cookies » Meer informatie